vrijdag 6 september 2024

Tuinharkje

 

Struikelend over mijn eigen voeten probeer ik bij mijn met tuinplanten gevulde karretje te bereiken. Ik wil hier weg! Weg uit dit smalle, doodlopende pad. Weg van de stellingen vol klimplanten en struiken die dreigen om te vallen. Weg uit dit tuincentrum. Weg uit dit Maar ik wil vooral weg van het lichaam wat er aan het eind op de grond ligt.

Terwijl het beeld van het levenloze lichaam zich steeds vaster zet in mijn hoofd en de details zich blijven toevoegen aan het plaatje begin ik te gillen. Ik gil alle lucht uit mijn lijf en wanneer ik leeg ben neem ik een diepe teug en begin opnieuw.

 

Er komen allemaal mensen aanrennen. Iemand pakt me vast en zegt me te stoppen met gillen, een ander probeert me te sussen, nog iemand anders wurmt zich langs mij en mijn karretje om bij het lichaam te komen. Maar de meeste mensen blijven op een afstandje staan kijken. Een enkeling staat te filmen.

Ik voel een hand op mijn schouders. Een man in een uniform leidt me naar een kantoor. Ik krijg van een ambulancebroeder een deken om me heen en vanuit het niets krijg ik een kop thee in mijn handen gedrukt.

Er wordt veel tegen me gepraat maar de woorden komen niet binnen. Er worden vragen gesteld maar ik heb geen antwoorden. Ik weet niet wie daar ligt. Ik zie alleen in gedachten een raar gedrapeerd lijf met een plas bloed onder het hoofd. Een hoek van een stelling met een veeg bloed. Een vallend lijf waar een stille, verbaasde schreeuw uitkomt.

 

 

Ik word naar huis gebracht. Er wordt koffie voor me gezet. De kat krijgt eten. Er word me honderd maal gevraagd of het “weer een beetje met me gaat na die grote schok”. Ik knik alle keren wat verdwaasd als antwoord. En dan gaan ze eindelijk allemaal weg en heb ik rust.

 

Ik voel in de kangaroezak van mijn hoodie en vind het handvat van een tuinharkje. Direct speelt zich de film van die middag zich opnieuw in mijn hoofd af. 

Ik zie onze eerste ontmoeting bij de aankomst bij het tuincentrum waar een middelbare mevrouw haar auto in de parkeerplaats draait waar ik voor voorgesorteerd sta. Ze roept een vrolijk ‘Sorry’ en gaat gewoon door waar ze mee bezig was. 

Vervolgens treffen we elkaar weer bij  het toegangspoortje waar ze zich voor mijn karretje gooit met haar rollator terwijl ze even vrolijk als daarvoor roept: ”gehandicaptenvoorrang!”. Bij de tuinzaden ramt ze de rollator tegen mijn kuiten. “Oeps!”, klinkt het, “Ik had niet door dat je zo enorm voor de pompoenplantzaadjes stond. Kan je me even een zakje aangeven? Van die grote oranje graag.”

Toen ze bij het in een bocht inhalen de tuinaccessoires induwde kostte het me al mijn zelfbeheersing haar niet aan te vliegen.

Bij de klimplanten ging het mis. Ik stond in het smalle paadje tussen te klimplanten aan de ene kant en de rozen aan de andere kant. Ik had een roos opgepakt om hem beter te bekijken. Voor ik kon beslissen of ik deze mee zou nemen of een andere zou pakken voelde ik hoe iemand de roos uit mijn handen griste. Verbouwereerd keek ik op en keek recht in het triomfantelijke gezicht van mijn kwelgeest. Minzaam glimlachend zei ze: ”Dit is geen beginnersroos. Deze hoort bij een echte liefhebber.” Zelfvergenoegd glimlachte ze nogmaals naar me.


O, wat was het prachtig al die zelfgenoegzaamheid te zien verstommen in een idiote grimas. Hoe heerlijk hoe die gemaakt opgewekte stem stil werd. Hoe zielsroerend was het om te zien dat ze net zo theatraal stierf als dat ze vlak daarvoor nog door de winkel paradeerde.

 

Ik trok het tuinharkje uit haar buik en stopt het in de zak van mijn hoodie, haalde diep adem en begon aan mijn eigen theaterkunststukje.

 

maandag 25 december 2023

Van de regen in De Drup

 

Het is de dag voor kerst eind van de middag. Ondanks dat de kortste dag al is geweest is het al erg donker. Het licht van de straatlantarens schittert door de regendruppels. De wind laat mijn lange wintermantel opwaaien waardoor ik ook onder mijn jas nat wordt. Het is echt Hollands kerstweer.

Terwijl ik met een hand mijn jas op zijn plek probeer te houden balanceer ik in mijn andere hand een grote doos van een exclusieve delicatessenzaak in de binnenstad met daarop een telefoon met maps open. Ik heb een beetje spijt van mijn elegante glitterjurk met bijpassende pumps. Hoewel het me geweldig staat is het op dit moment verre van praktisch of elegant hoe ik me voortbeweeg door de donkere kleine straatjes waar de navigatie me doorheen probeert te loodsen.

Ik schiet een portiek in om even te kijken of ik nog steeds in de juiste richting loop. Zo te zien ben ik al in de juiste straat en moet ik alleen het goede huis nog vinden.

 

Een paar tellen later sta ik voor een imposante deur. Het is zo’n heel hoge, brede, rijkelijk versierde houten deur. Een deur die hoort bij een imponerend grote stadsvilla die tegenwoordig is opgedeeld in meerdere appartementen of kantoren. Maar bij deze voordeur zit maar een bel. Dat maakt de deur nog imposanter. Wat voor chique bedoening zal het wel niet zijn achter al dat houtsnijwerk? Ben ik niet hopeloos underdressed in mijn simpele Zara-jurkje?

 

Ik zal het maar toegeven, ik ben dood nerveus. Deze avond ga ik voor het eerst de familie van mijn partner ontmoeten.

Ik had ze graag eerder ontmoet maar de vader van Buizerd werkt voor de diplomatische dienst in Kuala Lumpur. Hij woont dus met zijn vrouw het grootste deel van het jaar in Maleisië. Hoewel de band tussen Buizerd en zijn ouders hecht en warm is, zien ze elkaar hierdoor sporadisch. De kennismaking met ouders was dus niet eerder mogelijk. Deze kerst is de eerste keer in lange tijd dat ze in Nederland zijn.

En ik wist zeer zeker wel dat de ouders van Buizerd als Diplomaten echtpaar goed in de slappe was zouden zitten maar zo rijk als deze voordeur deed vermoeden had ik niet verwacht. Zullen ze me wel goed genoeg vinden voor hun enige zoon?

 

Wanneer ik op de bel druk doe ik een schietgebedje dat Buizerd en zijn ouders al zijn gearriveerd maar aangezien de hele vlucht al een groot drama van niet aansluitende en vertraagde vluchten was zal het een wonder zijn als ze al op Schiphol zijn  aangekomen. Maar een mens mag altijd hopen, toch?

In de verte hoor ik de bel overgaan. Het geluid doet vermoeden dat het huis inderdaad zo immens is als de deur doet vermoeden.


Na wat een eeuwigheid wachten lijkt wordt de deur open gedaan door een meest merkwaardig en onwelriekend mannetje. Ik besef dat mijn eerste reactie er een van weerzin is. Iets wat ik niet van mezelf had verwacht. Ik ga er juist prat op dat ik een open en eerlijke blik op mijn medemens heb, een blik zonder oordelen.

Het terug deinzen van het aanzien en de walm geeft weinig blijk vaneen frisse, open blik tijdens een eerste kennismaking. Ik schaam me voor mijn eigen reactie en spreek mezelf streng toe dat dit gewoon een mens is. Weliswaar een smerig, stinkend, in vodden gekleed mens maar nog altijd een volwaardig mens. Maar de aanblik van deze stinkende, verwaarloosde, besmeurde persoon in de deuropening van dit grootse gebouw is zo onverwacht dat ik even van mijn stuk ben.

De man zelf lijkt mijn reactie niet op te merken. Hij laat zijn blik taxerend over me glijden en verwelkomt me vervolgens.

 

Ik stap een enorme hal binnen en trek mijn doorweekte jas uit. De man wijst op een garderobe en zegt me daar mijn jas neer te hangen en hem daarna te volgen. Het gebouw heeft van binnen evenveel allure en luster als je aan de buitenkant verwacht. We komen bij een ruimte gevuld met mensen. 

Het is een bijzondere verzameling mensen. Ik geloof dat ik nog niet eerder zo’n divers gezelschap heb gezien. Als er een naam is voor een groep paradijsvogels is dat hetgeen wat het gezelschap het beste omschrijft. Het zijn stuk voor stuk kleurrijke mensen. Vrije geesten, excentriekelingen, introverte muurbloemen in prachtige kleuren, extraverten die van zichzelf al zo kleurrijk zijn dat ze zich in zwart hullen. Maar er lijkt iets anders te zijn wat deze mensen verbindt, ik weet alleen nog niet wat.

 

Het mannetje wenkt me en wijst naar een vrouw in een glanzende galajurk. “U moet zich even bij die dame melden. Zij zal u vertellen wat er van u wordt verwacht.”

Wat er van mij wordt verwacht? Wat bedoelt hij daar mee? Maar voor ik het kan vragen loopt de man in flink tempo een gang in en verdwijnt uit zicht.

 

Even overdenk ik of ik er van door zal gaan maar dan besluit ik dat ik mij niet wil laten kennen. Ik zet mijn dappere gezicht op en loop op de dame in de glanzende jurk af. Wanneer ze me in het vizier krijgt spreidt ze haar armen en roept: “Ah daar ben je , lieverd. Buizerd zei al dat je hier zelfstandig naar toe zou komen. Ik zei nog, dat kan je dat arme kind toch niet aandoen maar volgens hem was het overmacht en kon het niet anders. Nou, volgens mij is het altijd nog een keus maar ja, hij zal die opudjes van m ook niet willen laten staan. Al denk ik dat Ome Aad en tante Clo zich huis wel zullen redden met een taxi maar ja, dat vond ie toch een wat koude ontvangst voor z’n ouwelui.? En dan daarbij, ik was toch in De Drup? Ik kon jou toch wel opvangen,  En dan zou ik de familie primeur hebben en je eerder ontmoeten dan ome Aad en tante Clo. Nou ja, daar kan je toch geen ‘nee’ tegen zeggen? Sowieso kan je toch geen ‘nee’ zeggen tegen dat lieve koppie van die lieve Buizerd. Of wel dan? Lieverd ik ben Agaath, dochter van Buizerd zijn tante Mar, nichtje van Buizerd dus. Ik zal je dit liefdadigheidsdiner doorloodsen.”

 

Overdonderd door de volgende smoorknuffel stel ik verbaasd vast dat ze niet eens buiten adem is na de woordenstroom. Dan dringt het plots door dat ze sprak over een liefdadigheidsdiner. Waar heeft ze het over? Welk liefdadigheidsdiner? Nog voor ik een vraag heb kunnen stellen roept Agaath al: ”Ojee, heeft Buizerd niets verteld over onze jaarlijkse actie ‘ Kerst in De Drup?”

Ik schudt mijn hoofd. Agaath neemt me bij de arm en zegt: ”Geeft niks. Het is een beetje een vuurdoop maar ik zal zorgen dat je hier goed doorheen komt. Buizerd zegt dat je een goed hart hebt en altijd het goede mensen wil zien dus dat maakt je geknipt voor dit diner. Loop maar gewoon met me mee, doe wat je hart je in geeft en ontspan. Alles komt goed.”

 

We zijn aangekomen bij een enorme ruimte die vol staat met tafels waarop kleding in alle soorten en maten ligt. Agaath trekt me achter een tafel en roept: “Laat de eersten maar komen.”

Er wordt een groep mensen binnen gelaten. Allemaal nat geregend, vies smoezelig en hoogstwaarschijnlijk dakloos. Schuchter lopen ze naar de tafels toe. Agaath knoopt een gesprekje met iemand aan en zoekt samen met deze persoon een set kleding uit, pakt van een rek een winterjas, uit een schappenkast een doos met stevige schoenen. Al snel wordt me duidelijk dat er niet alleen nieuwe kleding wordt uitgedeeld maar dat er ook kan worden gedoucht. Men kan zelfs naar de kapper.

 

In het begin sta ik nog wat onwennig naast Agaath maar al snel neemt mijn interesse in mensen het over. Ik help mensen met het uitzoeken van kleding, zoek de juiste maat schoenen voor ze op, lees zelfs een kerstkaart aan iemand voor en vergeet dat ik te maken heb met de zogenaamde zelfkant van de samenleving. De mensen die niet gezien en gehoord worden, geweerd zelfs. Voor mij is de barrière weggevallen. Ik kan ze weer zien voor wat ze zijn. Mensen als ieder ander, niet meer of minder, alleen met wat meer pech.

 

De tijd vliegt voorbij. Wanneer elk mens is voorzien van een frisse outfit worden we meegenomen naar een eetzaal. Agaath duwt een grote kar vol dampende schalen naar me toe. “”Tijd om te vliegen vogeltje! Deze is voor jou tafel die daar staat. Eet smakelijk.”

Ik plaats de schalen op de aangewezen tafel en ga zitten. We zitten in kleine groepjes aan ronde tafels waardoor er veel contact is. Al snel is de sfeer gezellig en gemoedelijk. Hoewel de gesprekken af en toe persoonlijk en zwaar zijn, geniet ik volop. Dit is waar kerst om draait. Samen zijn, contact en oprechte interesse.

 

Plots voel ik een tikje op mijn schouder en hoor een bekende stem die plagerig zegt: “Ben ik te min voor jouw aandacht?” Buizerd! Eindelijk is hij er. Ik schiet overeind om hem flink te omhelzen. Na een heel flinke knuffel en een stevige kus draait hij me naar een man die een oudere versie van hemzelf kon zijn. Dat was ik in alle drukte en gezelligheid vergeten, ik zou worden voorgesteld aan Buizerds ouders. Ik krijg spontaan weer de bibbers. De man zal vast denken dat ik geen greintje fatsoen heb met mijn geflikflooi met zijn zoon. Maar nog voor ik zijn uitgestoken hand kan beantwoorden, mijn excuses kan maken of mijn naam noemen hoor ik de sopraan van Agaath, “Ome Aad! Dit is een goeie hoor. Ze kwam van de regen in De Drup en hield zich niet alleen staande, ze werkte zich ook nog eens een slag in de rondte. Als Buizerd d’r niet meer wil neem ik ‘r wel.”

De lachbui die deze opmerking veroorzaakt laat al mijn spanning en zenuwen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Enigszins onzeker zal ik altijd wel blijven maar als ik me tijdens een onverwacht liefdadigheidsdiner kan slaan kan het ontmoeten van schoonouders alleen maar meevallen. Vol vertrouwen steek ik mijn hand uit en zeg: “Hallo, ik ben Kimberly, de vriendin van Buizerd. Fijn u eindelijk te kunnen ontmoeten.”

 

 

maandag 11 juli 2022

De levensloopbibliotheek

 

Besluiteloos kijkt Mijke naar het boek. Dit is het juiste boek. Daar staat haar naam. Dit is het boek van haar leven. Zal ze het durven open slaan? Wil ze lezen wat er in staat?

Ze laat haar blik glijden over haar omgeving. Haar gastvrouw had dit de bibliotheek genoemd maar het doet Mijke meer denken aan zo’n archiefruimte zoals je die in Amerikaanse films of series ziet. Zo een waar je met een groot wiel de stellingen uit elkaar draait om dingen uit het archief te halen.

 

De bibliotheek is veel kleiner dan Mijke had verwacht. Niet dat ze weet wat ze precies had verwacht. Maar in ieder geval geen tl-verlichte ruimte waar net een leestafel met stoel inpast ingesloten door metalen wanden met wielen erop.

Mijke’s voorstelling van een bibliotheek was vele malen romantischer. Hoge houten kasten vol met boeken. Trapjes en ladders om ook bij de bovenste planken te kunnen. Grote stevige bureaus met leren leggers en sierlijke bureaulampen. Comfortabele stoelen met kleine tafeltjes en grote leeslampen. Alles er op gericht lekker rond te snuffelen en door boeken te bladeren en vrijuit te kunnen mijmeren over de inhoud. Deze ruimte was zo steriel, zo zakelijk. Niets wees erop dat er hier iets interessants te lezen was.

 

Plots moet ze denken aan iets wat haar gastvrouw tegen haar had gezegd toen Mijke zei dat ze het huis zo onopvallend en doorsnee vond. Wat was het ook weer? O ja. “Juist jij als journalist zou moeten weten dat de meest interessante verhalen schuilen in het meest alledaags.”

De opmerking was maar half bij haar binnen gekomen omdat ze met stomheid geslagen was dat deze vrouw wist dat ze journalist van beroep was. Ze was hier ook niet beroepshalve. Ze was hier omdat ze tijdens de zoektocht naar verhalen over haar overgrootouders had ontdekt dat er hier naslagwerken zouden zijn over de levensloop van alle personen die in deze regio geboren waren. Haar nieuwsgierigheid was gewekt en een afspraak snel gemaakt. Haar beroep had ze nergens vermeld en er was ook niet naar gevraagd. En aangezien Mijke voor een lokale krant aan de andere kant van het land werkte leek het haar stug dat deze vrouw ooit een artikel van haar had gelezen en haar naam daarvan onthouden.

 

Mijke schrikt op uit haar overpeinzingen door het kraken van een traptree. Ze kijkt om en ziet haar gastvrouw de kleine leesruimte binnen komen. Vriendelijke ogen kijken haar aan. Het zijn bijzondere ogen. Ogen die veel zien. Ogen die geen vragen stellen, niet oordelen en niet nieuwsgierig zijn maar enkel openheid en vriendelijkheid uitstralen. Waar Mijke zich geregeld ongemakkelijk voelt als iemand haar langdurig aankijkt voelt ze nu enkel ontspanning en geruststelling.

Mijke kijkt nog eens naar het gesloten boek wat voor haar op tafel ligt. De vrouw volgt haar blik. Mijke kijkt haar aan. Ze heeft zoveel vragen.

“Weet je wat een levensloopboek is,” vraagt de vrouw met zachte stem. Mijke schudt haar hoofd. Ze heeft natuurlijk wel ongeveer een idee maar dat idee is op losse schroeven komen te staan toen ze haar eigen naam op een van de vele boeken in het archief zag staan. Ze dacht namelijk dat het een soort biografie zou zijn. Of een verzameling informatie zoals bij een knipselkrant.

 

“Een levensloopboek wordt bij leven gevuld met herinneringen. Niet jouw herinneringen maar hoe mensen jou zullen gaan herinneren.” Mijke kijkt haar niet begrijpend aan.

“In dit boek worden kleine voorvallen worden opgenomen. Het moment dat je vriendelijk was naar iemand. Die keer dat jullie op vakantie in de stromende regen verdwaalden. Je aanwezigheid bij het huwelijk van je vriendin. Allemaal herinneringen aan jou, herinneringen die jouw leven invulling hebben gegeven. En steeds als zo’n herinnering aan jou wordt opgeroepen opent het boek en openbaart de herinnering zich.”

Nog nieuwsgieriger geworden trekt Mijke het boek naar zich toe. Ze legt haar vinger om de hoek van het voorblad. De vrouw legt haar hand over haar hand.

“Voor dat je dit boek openslaat moet je weten jouw boek op dit moment nog geschreven wordt. Over enkele ogenblikken wordt dit moment toegevoegd. Vanuit mijn geheugen zal mijn herinnering aan jou worden genoteerd. De gevolgen van willekeurig dit boek openen zijn groot. Je leven zal nooit meer hetzelfde zijn.”

 

Nogmaals kijkt Mijke naar het boek wat voor haar ligt. Ze voelt de strijd tussen de twijfel en de nieuwsgierigheid. Ze ademt scherp in en slaat dan kordaat het voorblad om.

 

Uren aan één leest Mijke in haar levensloopboek. Het lijkt wel of de pagina’s zich tijdens het lezen vullen. Herinnering na herinnering komt tevoorschijn. Gebeurtenissen rijgen zich aan één. Uren worden dagen. Dagen worden maanden. onverstoorbaar leest ze door. Tot de dag dat ze aankomt bij een herinnering van haar zittend aan tafel.

Er is iets vreemds met deze herinnering. Tijdens alle voorvallen en gebeurtenissen zag ze zichzelf door de ogen van anderen. Het waren duidelijk herinneringen van andere mensen aan haar. Deze herinnering voelt anders. Deze voelt als van haarzelf. Ze kijkt op en ontmoet opnieuw de vriendelijke ogen van de vrouw. Dan herkent ze plots de ogen. Hoe kan ze ook anders ze ziet ze al haar hele leven elke dag.

Terwijl het beeld van de vrouw langzaam vervaagd slaat Mijke het boek dicht. Even huivert ze. Dan pakt ze het boek op en zet het terug op de plek waar ze het lang geleden had gevonden. Wat er zou zijn gebeurd als ze het boek gesloten had gelaten zal ze nooit weten. Wat ze wel weet is dat ze een levensloopbibliotheek te beheren heeft.

 

vrijdag 24 december 2021

Het elfje dat van kou houdt

 

Zo hard als haar benen haar kunnen dragen holt Gibby naar de deur. In paniek kijkt ze over haar schouder. Achter haar ziet ze een stroom aan rood, groen en gouden pakpapier. Er vliegen strikken heen en weer. Met golven tegelijk vallen de pakjes van de inpakmachine. De machine ratelt en knarst terwijl er meer en meer pakjes van de lopende band vallen.

Wanneer ze weer voor zich kijkt ziet ze een groot rood vlak opdoemen. Terwijl ze probeert af te remmen weet ze dat ze niet meer op tijd stil zal staan. Ze slaat haar handen voor haar ogen en maakt zich op voor de klap van de botsing.Vlak voor haar lichtje uit gaat hoort ze: “Ho Ho Ho, wat gebeurt hier?”

O nee, de kerstman! Dat kan er ook nog wel bij. Dit betekent vast dat ze haar koffers kan pakken en terug moet naar het elvenbos. Dat saaie, groene, elvenbos.

 

Al zo lang als ze zich kan herinneren droomt Gibby van een leven op de Noordpool. Tijdens het bloemen verzamelen mijmert ze over het maken van ijsbloemen. Liggend in het gras fantaseert ze over duizenden sterren aan een pikzwarte hemel. Bij het schilderen van de herfstkleuren dwalen haar gedachten af naar de schilderachtige kleuren van het poollicht. Bij het ophangen van de spinnenwebben in de dauw stelt ze zich voor dat ze sprookjesachtige kerstversieringen aan het maken is. Tijdens alle klusjes dagdroomt ze over sneeuwpoppen maken, schaatsen, warme chocomelk drinken. Over glitter en kitscherige dorpjes en overal lichtjes in donkere dagen. De tot leven gekomen idylle.

Het moment dat Gibby de oproep van de kerstman in haar lokale elvenkrant zag staan wist ze dat haar droom op het punt van uitkomen stond. Werken en wonen op de plek van haar dromen. Mooier kan het niet worden.

 

En daar ligt ze nu. Knock-out op de vloer van de cadeautjesverpakfabriek. Is dit het einde van haar tijd op de Noordpool? Dat zal vast want dit is niet het eerste ongelukje wat haar overkomt. Ze heeft de zuurstokkoker laten overkoken waardoor er drie dagen later nog elven roze suiker van het plafond stonden te steken. De chocoladesneeuwpoppen die Gibby heeft gemaakt zijn zo hard dat de tandenfee erover heeft geklaagd dat er zoveel tanden afbreken dat ze haar werk nauwelijks meer aan kan. Na het kerstkransen bakken heeft de bakkerij twee dagen blauw gestaan van de rook. En nu heeft ze de inpakmachine laten ontploffen.

 

Huilend komt Gibby weer bij bewust zijn. Dit was het dan. Het einde van haar droom. En ze is hier nog niet eens lang genoeg om ook maar één van haar droombeelden tot leven te zien komen.

“Ho ho ho, waarom die tranen?” Oja, de kerstman, die is er ook nog. Gibby begint nog harder te snikken. Grote dikke snottebellen jojoën op de maat van de gierende uithalen aan haar knalrode neus. Hortend en stotend vertelt ze alles wat gebeurt is aan de kerstman. Over de teleurstelling van de hoofdelf dat ze zo druk was met het inkleuren van ideeën voor nieuwe chocolaatjes dat ze helemaal vergat op tijd de chocolade van het vuur te halen en in de mallen te doen. Over de bakkerself die hoofdschuddend de puinhoop in zijn bakkerij overzag terwijl Gibby de rook om haar hoofd niet zag omdat ze te druk was met sneeuwsterren tekenen in de achtergebleven bloem op het werkblad. Dat de suiker voor de zuurstokken overkookte omdat ze allerlei nieuwe kleuren aan het mengen was. En dat de inpakmachine vastliep omdat het papier niet de machine kon doorlopen omdat ze het saaie papier wilde opvrolijken met allerlei illustraties.

 

Ze slikt nog eens flink, veegt haar tranen van haar wangen en kijkt op naar de kerstman. Hoofdschuddend kijkt hij haar aan: ”O Gibby toch. Waarom heb je in het kennismakingsgesprek met mevrouw Claus niet gezegd hoeveel je van tekenen houdt. Waarom heb je haar niet verteld over je dromen?” Gibby haalt stilletjes haar schouders op. Ze weet niet hoe ze moet zeggen dat ze daar in haar zenuwen of ze wel een goede indruk zou maken helemaal niet aan heeft gedacht. Dat ze zo graag naar de Noordpool wilde dat ze bang was verkeerde dingen te zeggen en daarom maar zo min mogelijk zei. Dat het makkelijker was ja te knikken als haar iets werd gevraagd. Zelfs toen dat was of ze van koken en cadeautjes inpakken hield.

“Toevallig was ik net naar je op zoek,” vervolgde de kerstman, “ik heb natuurlijk al lang over je avonturen hier in Kerstdorp gehoord. Een elf als jij blijft niet lang onopgemerkt. Mevrouw Claus is aan de hand van de gonzende verhalen eens polshoogte gaan nemen bij de elfbazen en kreeg overal hetzelfde te horen. Gibby is een vriendelijk, vrolijk en gezeglijk elfje. Een beetje dromerig maar met een fantastische fantasie en een talent voor het bedenken van mooie dingen. Ze heeft me meteen hierheen gestuurd om je te redden van de cadeautjes. Kom dan gaan we naar haar toe.”

 

Met ogen zo groot als schoteltjes kijkt Gibby naar de kerstman. Ze merkt dat haar mond is open gevallen. Snel doet ze hem weer dicht. Ze zoekt naar woorden maar weet niet wat ze wil zeggen, zou moeten zeggen. Ze stamelt wat. Draalt wat. Stamelt nog wat. Dan besluit ze toch maar niks te zeggen en knikt bedeesd.

 

Even later zit ze naast de kerstman in zijn slee. Gibby kan haar enthousiasme nauwelijks verbergen. Dit is wat ze zich had voorgesteld bij wonen op de Noordpool. Dan vraagt de kerstman haar of ze het erg vind dat ze eerst even een trainingsrondje doen met de rendieren. Haar wangen worden rood van opwinding. De kou prikt in haar gezicht als ze door de met nachtvorst gevulde lucht suizen.

Gibby krijgt heel veel zin stiekem wat suikerspinwolken in de strakblauwe nacht. Ze gluurt naast zich. Zal de kerstman het merken? Vast niet.

Voorzichtig plaatst ze een klein wit wolkje aan het donkere hemel. Heel voorzichtig tussen twee sterren in. En dan één tussen wat boomtoppen. En dan één waar sneeuwvlokken uitvallen. Al snel is ze zo verdiept in het inkleuren van een sneeuwlandschap dat ze de kerstman helemaal is vergeten. Ze plakt wolken. Schildert met alle nuances van wit die ze kan bedenken. Ze brengt schaduwen aan. En ze maakt de allermooiste ijsbloemen die ze kan bedenken. Wanneer ze klaar is slaakt ze een diepe zucht. Wat is dit geweldig om te doen. Schilderen met sneeuw en ijs vliegend in een slee.

Met een klap is Gibby terug in de realiteit. Ze heeft zitten schilderen met ijs en sneeuw terwijl ze bij de kerstman in de slee zit. Och heden, wat moet hij nu wel niet van haar denken. Waarom had ze dit nou gedaan? Haar moedertje zou zich hoofdschuddend afvragen waar haar verstand toch zat. Nou, niet tussen haar oren!  Kijk, de kerstman zit haar gewoon uit te lachen! Hij schuddebuikt ervan.

 

Gelukkig, de kerstman landt de slee. Hij tilt Gibby van de bok en leidt haar naar het kantoor van mevrouw Claus. Hij gooit de deur open en roept: “Lieverd, ze hadden gelijk! Dit elfje bulkt van het talent. Wat een ontwerper is dit. Meer kleuren heb ik nog nooit gezien in een sneeuwlandschap en toch is alles wit. Het is ongelooflijk prachtig!”

Mevrouw Claus kijkt breed lachend op van de papieren waar ze mee bezig was. “Ik heb het gezien, Nick.” Ze wenst zich tot Gibby: “Het was fantastisch om je te zien schilderen, Giibby. Zoveel talent. Zoveel fantasie. En wat een prachtig kleurgebruik. Grootvader Vorst zal blij zijn met zo’n fantasierijke medewerker. Nu kan hij het eindelijk een beetje rustiger aan gaan doen. Als je dat tenminste wil?”

 

Dertien jaar later werkt Gibby nog steeds bij grootvader Vorst. Ze bedenkt winterlandschappen, ontwerpt kerstdorpen, kleurt inpakpapier en maakt ontelbare ijsbloemen. Honderden duizenden verschillende. In een uit alle kleuren opgesteld kleurloos , vol glimmers om te schitteren in elk sprankje licht wat er terloops haar oog op laat vallen. Gewoon, omdat ze er zelf zo van geniet. Ze kan alleen maar hopen dat jij er net zo blij van wordt als zij.

dinsdag 24 augustus 2021

Doornroosjes logé

 


“Doornroosje moet toch echt een behoorlijk talent voor slapen hebben als het haar lukt zelfs midden in dit park door alle herrie heen te slapen!” verzucht ik een geeuw onderdrukkend. ”Of een verdomd goed bed.”

 

Een paar dagen geleden heb ik mij laten meeslepen naar Disneyland. Harry was als een kind zo blij dat hij twee tickets had weten te bemachtigen in één of andere verloting. Zo blij dat zelfs ik enigszins enthousiast werd bij de gedachte aan een geheel verzorgde vijfdaagse vakantie. Dat pretpark nam ik dan maar op de koop toe.

 

Spijt als haren op mijn hoofd heb ik. De prijs omvatte niet zomaar een verblijf. Nee, ons verblijf is midden op het park, in het kasteel van Doornroosje. En hoewel de suite er zeer comfortabel uitziet, heeft de ontwerper er goed voor gezorgd dat je niets van het park hoeft te missen. Sterker nog, er is geen plek te vinden waar je aan dat pokke disneymuziekje kan ontkomen.

En de godganse dag hoor je er kinderen. Horendol word ik van de hele dag gegil, gejengel en gejank. Dan komt er ook nog vier keer per dag een parade voorbij die er minstens een uur voor zorgt dat je jezelf niet eens kan horen denken. Stapelgek word ik ervan. Stapelgek en doodmoe, want het geluid gaat dag en nacht door. Zo moe dat ik nergens anders meer aan kan denken dan slapen. Ik zou een moord doen voor wat rust.

 

Nogmaals luidkeels geeuwend strek ik mijn arm uit naar het doosje slaappillen wat Harry voor me heeft gehaald. De vorige dosis heeft helaas niet geholpen, maar als ik nu niet ga slapen ben ik bang dat ik helemaal doordraai en een kleuter bij de enkels pak en om me heen ga meppen. Nogmaals druk ik een strip leeg en slik de pillen door.

Wankelend loop ik de suite uit de trap op. Het kost wat moeite om de deur naar het zolderkamertje open te krijgen maar als het uiteindelijk is gelukt kruip ik luid gapend en geeuwend naast Doornroosje op bed. Dit moet wel het beste plekje zijn om te slapen. Haar lukt het tenslotte honderd jaar. Maar mij zal zelfs geen sprookjesprins meer wakker kunnen kussen. Ze kunnen me allemaal rambam krijgen. Ik sta nooit meer op!

 

 


Geeuwen = 1) Gapen 2) Uiting van moeheid 3) Uiting van verveling


Dit verhaal schreef ik n.a.v. deze #WOT

#WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verzin ik een woord waar je over kunt schrijven (bloggen, vloggen of ploggen). Niets moet, alles mag. Je kunt op ieder moment instappen. De vorige woorden kun je in het archief vinden.

 

 

zaterdag 26 december 2020

Krampus

 

In een blokhut bedolven door sneeuw gaat Lenna aan de keukentafel zitten. Ze vouwt haar handen om de kop thee die ze net voor zichzelf heeft gezet. Ze zucht diep en laar haar hoofd hangen. Ze voelt een langzame traan over haar gezicht lopen. Ze wil hem wegvegen maar bedenkt zich. Wat maakt het uit dat er een traan over haar wang rolt? Er is toch niemand die het kan zien. Ze kan zo lelijk huilen als ze wil.

 

Geërgerd onderdrukt ze een snik. Dat ze lelijk kan huilen wil nog niet zeggen dat ze dat dan ook maar moet gaan doen. Met huilen komt Maarten niet terug. Als dat zo zijn had hij drie uur geleden alweer voor haar neus gestaan. Maar dat was niet zo, dus huilen helpt niets. Ze kon beter eens gaan nadenken hoe ze hier weg kon komen, want die hufter was niet alleen weggegaan zonder iets te zeggen, hij had ook de auto meegenomen. Nu zat ze vast hier in dat godvergeten niemandsland onder de sneeuw.

 

Lenna zucht nog eens diep en rekt zich dan langzaam uit. Ze ademt nog eens diep in en weer uit. Daar wordt het iets helderder van in haar hoofd. Haar blik valt op de adventskalender midden op de keukentafel. Ze huivert.

Al vanaf het moment dat Maarten hem aan haar gaf krijgt ze de kriebels van dat ding. Sowieso is het geen traditionele adventskalender met 24 hokjes voor 24 dagen. Nee, dit ding telt één uur af in 12 hokjes.

En in plaats van idyllische kersttafereeltjes staat hier een Krampus op, zo’n enge soort Sinterklaas. Die met die bloeddoorlopen ogen, punttanden en kwaadaardige grijns.

 

Maarten had gezegd dat hij meteen aan haar had moeten denken toen hij de adventskalender zag. Het was zo’n leuke gadget en had zo’n leuk griezelthema. Ze hield toch zo van horror? Echt een kerstcadeau voor haar.

Vol afgrijzen had ze de kalender op de keukentafel gesmeten, schreeuwend dat hij een incompetente, onattente en onnadenkende rotvent was. Ze had hem voor de voeten gesmeten dat ze speciaal voor hem in deze pokke blokhut was gaan zitten, ver weg van haar familie en zo mogelijk nog verder weg van de bewoonde wereld. Stampvoetend was ze naar de slaapkamer gegaan en huilend op het bed in slaap gevallen.

Toen Lenna wakker werd was Maarten weg. Het enige wat er lag was die stomme kalender en een briefje waarop stond: ‘Maak dat ding open. Het eerste vakje moet op eerste kerstdag om vijf uur open zijn, anders zijn de gevolgen jouw verantwoordelijkheid.”

Opstandig als ze zich voelde heeft ze de kalender in de prullenbak gemieterd. Om hem daar drie uur later toch maar weer uit te halen. De deadline is dan wel al verstreken dus gevoelsmatig heeft ze gewonnen. Ze heeft zich niet laten dwingen.

 

Lenna pakt de kalender op en bekijkt ‘m nog eens goed. Het is echt een raar ding. Waar een gewone adventskalender van die plastic bakjes voor de chocolaatjes heeft is deze helemaal vlak. Er zit wel een soort verdikking bij de deurtjes maar daar past niets in.

 

Lenna kan haar nieuwsgierigheid niet langer bedingen en maakt deurtje één open. Stomverbaasd kijkt ze naar een QR-code. Ze pakt haar telefoon en scant de code. Het blijkt een link te zijn naar een filmpje met de titel ‘stap 1’.

Wanneer het filmpje begint af te spelen schrikt Lenna zich rot. Ze ziet Maarten met een groot mes in zijn hand. Hij staat gebogen over het lichaam van Julius, het achtjarige zoontje van haar broer. Dan houdt het filmpje abrupt op.

Trillend maakt Lenna het tweede deurtje open. Weer een QR-code. Het filmpje wat hier aan gelinkt zit gaat verder waar het vorige ophield. Ze hoort Julius gillen en op de achtergrond haar schoonzusje snikken. De camera draait naar de keukenvloer en daar ziet ze haar broer liggen. Hij zit onder de bloedvlekken. Het lijkt alsof hij op meerdere plekken is gestoken. Vlak achter hem ziet ze Romy, haar nichtje liggen.

Met elk deurtje wat Lenna openmaakt wordt de nachtmerrie groter. Haar hele familie brengt eerste kerstdag door bij haar broer. Ze ziet ze één voor één voorbij komen. Sommige onder het bloed, anderen doodstil in een onnatuurlijke houding op grond, een bed of aan de eettafel. Het lijkt wel een scène uit een hele slechte horrorfilm.

 

Wanneer Lenna bij het laatste deurtje aan is gekomen komt Maarten in beeld. Hij ziet er vreselijk uit. Zijn mond is vertrokken in een grimas, zijn ogen schieten heen en weer, alles in zijn houding schreeuwt waanzinnigheid uit. Hij begint tegen de camera te praten:

“Krampus is boos op jou Lenna. Krampus wilde jou een mooi cadeau geven Lenna. Maar Lenna kon niet dankbaar zijn. Lenna wilde niet luisteren. Lenna deed niet wat ze moest doen. Dit is jouw straf Lenna. Ieder die je lief is, is voor Krampus. Dit is mijn wraak voor je ondankbaarheid.”

Dan gaat het beeld op zwart.

 

Ontsteld kijkt Lenna naar haar telefoon. Dit kan toch niet waar zijn? Heeft ze dit echt gezien? Wanhopig probeert ze de QR-codes opnieuw te scannen maar ze blijken niet meer te werken. Ze probeert haar broer te bellen maar de telefoon schakelt direct naar voicemail. Wanneer ze haar moeder belt gebeurt precies hetzelfde. Dan valt het bereik van haar telefoon weg.

 

Paniek neemt nu de overhand. Hoe kan haar bereik nou zomaar wegvallen? Het was de hele dag meer dan uitstekend. Ze had nog gegrapt dat haar provider een beter bereik had voor boerenkinkels dan voor gewone mensen.

Plots hoort ze buiten geluiden. Het klinkt alsof er iemand aan komt hinken. Iets groots. Iets wat iets zwaars meesjouwt. Een vreselijke metaalachtige stem lijkt haar te roepen. Het lijkt wel alsof die stem toebehoort aan iets wat niet op deze aarde hoort rond te lopen. Aan iets wat door waanzin is gegrepen. Als iemand die bezeten is door iets als een Krampus.

Angst neemt nu de paniek over. Lenna begint sneller en sneller te ademen. Haar hart klopt als een bezetene. Haar hoofd begint te bonzen en bonken. Ze strompelt naar de gootsteen en geeft over.

 

Precies op dat moment zwaait de keukendeur open en stormen er twee kinderen de hut binnen. “Tante Lenna, tante Lenna! Hebben we geen gave film gemaakt? En nog interactief ook!”

Ze draait zich om en kijkt recht in de lachende gezichten van haar familie die het als het ultieme kerstcadeau zagen om de horrorfan de ultieme horrorervaring te geven.

 

 

 

 

woensdag 16 december 2020

Vervelen

 

Ik slenter wat over straat. Ik schop wat tegen een roestig blikje. Om mij heen klinkt het gekras van de vele roeken die in de bomen langs het pad hun nesten hebben terwijl in mijn hoofd mijn gedachten alle kanten op gaan. Het is al dagen een puinhoop in mijn hoofd. Allerlei gedachten buitelen over elkaar heen. Goede en slechte, reële en irreële, sommige waar en sommige pure fantasie. Het onderscheid tussen wat echt is en wat niet vervaagd steeds verder.

Een gevoel van lamlendigheid overvalt me. Vragen komen in me op. Wat doe ik hier? Wat heeft het voor zin? Heeft überhaupt iets zin? Moet ik niet wat doen?  Ik maak me groot en schreeuw uit: ”Wat moet ik doen? Wat kan ik doen? Ik verveel me!”.

Verschrikt vliegen de roeken op. Hun boze gekras brengt een herinnering bij me boven.

 

verveling

Ik zal een jaar of tien zijn geweest dat mijn broers en ik ons enorm verveelden. Het zal in een vakantie zijn geweest want we waren alle vier thuis en zaten ons zelf en elkaar danig in de weg. Onze moeder werd compleet tureluurs van ons geruzie, gevecht en gezeur. Ik weet nog dat ze op een gegeven moment uit riep: “Wegwezen! Jullie allemaal. Het kan me niet schelen wat jullie gaan doen. Van mijn part gaan jullie op het Damrak fietsen met gouden sturen jatten! Wegwezen nu!” Nu wisten we zeker, het is menens. En dus gingen we.

 

Eerst naar het pleintje bij de flats. Lekker balletje trappen. Maar al snel werden we weggestuurd omdat mensen bang waren dat we in onze onbesuisdheid hun auto’s zouden beschadigen.

Toen naar het schoolpleintje een paar straten verder op. Daar werden we weggestuurd door de politie omdat een paar eikels ’s avonds fikkie stookten en dus het hele plein verboden was gemaakt. Door naar het trapveldje maar dat lag vol gebroken flessen.

We hadden ondertussen flink de smoor in dat we nergens konden spelen. Het speeltuintje waren we veel te groot voor en zat sowieso vol met ukkies. Het basketbalveldje was altijd bezet door grote jongens. Nergens was er plek voor ons. En moeder was heel duidelijk geweest. We mochten met etenstijd pas weer thuis komen.

 

Het zal mijn oudste broer zijn geweest die met het plan kwam naar het grote park te gaan. Eigenlijk mochten we daar niet komen zonder vader of moeder, want volgens hun “gebeurden er dingen die het daglicht niet konden verdragen” maar va en moe die waren er nou niet en we moesten toch ergens heen.

 

In het park

Daar gingen we met z’n vieren. Naar het grote park. Eerst de grote weg aflopen. Dan bij de stoplichten oversteken. Nog een keertje links af slaan en dan de stalen hekken door.

 

Vooraan was een met bosschage omringd grasveldje, waar we met va en moe wat balden  maar zelf vonden we dit net wat te klein om lekker te voetballen. We wisten dat er achter de parkvijver een wat groter veld was. Daar gingen we naar toe. We deelden ons op in twee teams. Ik, de jongste speelde met onze oudste broer en de twee anderen vormden de tegenstander. We deden onze shirts uit om de doelen mee te markeren en begonnen eindelijk aan ons potje voetbal.

 

We zijn alle vier zeer fanatiek en kunnen slecht tegen ons verlies. Het vriendschappelijke potje mondde dus al snel uit in een felle strijd. Tijdens een woordenwisseling over een vermeende overtreding werd een van ons zo boos over het vermeende onrecht dat hij de bal wild wegtrapte. Zo de bossen in. Natuurlijk zo ver dat we de bal niet zagen liggen en er niks anders op zat dan allemaal tussen de bomen gaan zoeken.

 

 

De roeken

 

Het zoeken duurde lang. Het was donker onder de bomen en er was een wildgroei aan  bosjes en struiken. Alles stond zo dicht op elkaar dat het erg moeilijk was te zien of er misschien een voetbal lag.

Plots klonk er een gil en vlogen er overal roeken krassend weg. De gil was onmiskenbaar van een van mijn broers. Ik holde meteen in de richting van het geluid. Terwijl het geluid van de roeken verstomde hoorde ik mijn oudste broer roepen. AL gauw kwamen we samen bij een soort open plek waar een van mijn broers tegenover een groepje van jongemannen stond. Deze jongemannen hadden overduidelijk weinig goeds in de zin. Ze stonden met geheven vuisten en een enkeling had zelfs een mes in handen. Ik keek even naar mijn andere broers. Deze knikten allebei en toen stapten we op de groep af.

Graag had ik verteld dat het gevecht episch was, maar dat zou gelogen zijn. Het was gewoon een zeer stevige knokpartij. Zo één waar geen eind aan lijkt te komen. We sloegen en we schopten. Net zo lang tot geen tegenstander meer stond. Het was een grote roes met als beloning de grootste kik die we ooit hadden gehad.

Na deze keer volgden er meer matpartijen. Vooral als we ons verveelden zochten we groepen rondhangende jongens op. Die waren altijd zo snel opgefokt dat het gegarandeerd knokken werd.

 

Nu ik de roeken weer hoor krassen besef ik dat het al weer een tijdje geleden is dat we een leuk verzetje hebben gehad. Ik kijk eens om me heen, spot een groepje hangjongeren, maak een foto met mijn telefoon, zet ‘m in de groepsapp en typ: “Ik verveel me.”

 

Vervelen = 1) Ergeren 2) Klieren 3) Lastig worden 4) Nergens zin in hebben 5) Niet boeien 6) Tegenstaan 7) Zich niet weten te vermaken.

 

#WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verzint Ali een woord waar je over kunt schrijven (bloggen, vloggen of ploggen). Niets moet, alles mag. Je kunt op ieder moment instappen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

vrijdag 21 februari 2020

In gevecht


Mijke voelt de handen nog voor ze ziet aankomen. Ze pakken haar stevig vast. Paniek laait in haar op. Ze schreeuwt. “laat me los! Laat me los. Ik wil hier weg. Laat me gaan!”
Haar schreeuwen heeft geen effect. De handen laten haar niet los. Mijke probeert zich los te wurmen. Ze draait, ze schopt, ze probeert te slaan, maar niets heeft effect. In de verte hoort ze een stem die haar probeert te bereiken maar ze verzet zich hevig tegen de woorden vol vergif.
Ze probeert bij bewustzijn te blijven maar voelt dat ze de strijd begint te verliezen. Langzaam zakt ze weg in de duistere afgrond die haar gretig opslokt.


Wanneer Mijke wakker wordt heeft ze een onheilspellend gevoel. Het voelt alsof ze in een groot gevaar is. Ze probeert overeind te komen maar merkt dat haar armen vastgebonden zitten aan het bed waar ze op ligt. ze heeft het gevoel dat ze wordt bekeken. Voorzichtig draait ze haar hoofd en kijkt recht in een paar vuurspugende ogen. Ze begint te gillen.
Al snel hoort ze een deur open gaan. In de verte hoort ze de stem die haar op zachte toon tot rust maant. Dan voelt ze de handen weer. Dit keer komt de duisternis hard en snel.


Het is gelukt! Na heel lang observeren en proberen is het Mijke gelukt te ontsnappen. Ze rent en rent. Ze rent langs bomen, een rivier, bospaden en snelwegen. Maar hoe hard ze ook rent, waar ze ook allemaal langs komt ze heeft het gevoel dat ze geen stap van het gevaar vandaan komt.
Ze blijft de hete adem in haar nek voelen. De vuurspugende ogen blijven naar haar loeren en ze blijft de druk van de handen voelen. Ze rent en rent, maar de duisternis weet haar toch weer te achterhalen.


Moe is ze. Moe van het vechten, van het wegrennen en van het steeds opnieuw wegzakken in duisternis. Langzamerhand verzet Mijke zich steeds minder tegen de zachte stem in de verte. De afstand tussen haar en de stem wordt kleiner. Ze hoort de stem zeggen dat ze veilig is, dat ze niet bang hoeft te zijn en ze gelooft dat het waar is.


Mijke doet haar ogen open en ziet dat ze in een kille, kale kamer ligt. Ze voelt ze de handen weer maar nu niet dreigend en dwingend maar sturend en steunend.
Ze wordt overvallen door vermoeidheid en een groot gevoel van verdriet. Ze begint onbedaarlijk te huilen.
De stem begint weer tegen haar te praten. “Goed zo. Toe maar, gooi het er maar uit. Het is ook niet niks zo’n psychose. God mag weten wat voor demonen jij bent tegen gekomen de afgelopen uren.”

Mijke zakt opnieuw weg maar dit keer wacht haar niet de eindeloze afgrond van duisternis maar de stille kalmte van een diepe slaap.







maandag 3 februari 2020

uit het keurslijf


Kwaad smijt Sophie de deur achter zich dicht. Stampvoetend loopt ze naar buiten. Pisnijdig is ze. Wat denken ze wel niet van haar? Waar halen ze het lef vandaan haar te vragen of ze een braaf meisje gaat zijn volgend jaar. Alsof ze al jaren een van god losgeslagen nymfomane is!

Geagiteerd loopt ze naar de kade. Ze ijsbeert langs het water. Haar hele lijf trilt van de woede die ze voelt. Ze heeft het helemaal gehad met dat gezeik. Ze is er klaar mee, in een keurslijf gepropt worden maar nog niet aan de immens hoge standaard voldoen. Bah, bah en nog eens bah!


In haar wordt iets wakker. Iets wat ze al twintig jaar in slaap sust. Iets waar Sophie al heel lang bang voor is. Haar onvoorspelbare kant. Haar rebelse kant. Haar opstandigheid. Haar drang zich door niets en niemand de wet te laten voorschrijven.

Haar rebelse kant glimlacht. Het voelt haar ontevredenheid, haar woede en haar gevoel van onrechtvaardigheid. Het is zover.
Eindelijk komt er weer ruimte voor rebellie. Voor onvervalst losgaan. Van spijt na onverantwoorde pret. Voor katers en onverklaarbare spierpijn. Het is de hoogste tijd voor totale anarchie!


Er begint zich een plan te vormen in Sophies hoofd. Het kriebelt en het wringt. Verontrust voelt ze dat het plannetje haar doodsbang en tegelijkertijd wild enthousiast maakt. Zou ze dit echt durven? Zou ze dit echt kunnen? Wat zouden ze wel niet van haar vinden?

Er gaat een schok door haar heen. Ze doet het weer! Weer houdt ze zich bezig met wat een ander er van zou kunnen vinden. Ze klemt haar kaken op elkaar. Een vastberaden blik verschijnt in haar ogen. Haar keus is gemaakt.

Al lopen de rillingen over haar lijf bij de gedachte. Al versnelt haar ademhaling al bij alleen de gedachte. Al weet ze niet of het echt wel kan. Ze gaat het doen.

Laat ze allemaal maar het rambam krijgen met hun keurslijven en brave-meisjes-geleuter. Laat ze zelf maar keurig netjes zijn. Laat ze zelf maar braaf oppassen en niet dronken worden en voorzichtig zijn en goed uitkijken. Zij gaat het niet meer doen. Zij stapt uit het keurslijf. Uit het verwachtingspatroon. Uit het harnas van fatsoen.


Sophie haalt diep adem en doet een grote stap naar voren. Heel even voelt ze de ultieme vrijheid. Dan omsluit het water haar en wordt alles stil.






woensdag 25 december 2019

Licht in de duisternis


Ergens op zolder, in een van de meest onbereikbare hoekjes, staat een stapel dozen. In een van deze dozen lig ik. Nou ja, de onderdelen die mij vormen zitten in die doos. Een standaard, een stam en heel veel takken. Allemaal van metaal en kunststof. Samen vormen deze stukjes metaal en kunststof een kunstkerstboom. Mij dus.


Al bijna twintig jaar sta ik in de kerstperiode te pronken in de woonkamer van dezelfde mensen, mijn eigenaren. Mijn lampjes verlichten al jaren de donkere tijden. Ik kan me mijn eerste jaar nog herinneren alsof het gisteren was.

Er schalde vrolijke kerstmuziek door de speakers. De jonge mensen lachten, dansten en  straalden. Ze waren jong, verliefd, gelukkig en zouden snel hun eerste kindje verwelkomen. Misschien wel met kerstmis. Er stond al een klein wiegje aan mijn voet voor het geval dat.

De dag voor kerst was hectisch. Er hing spanning en opwinding in de lucht. Het leek er erg op dat er inderdaad een kindje geboren ging worden. In de avond ging het stel puffend en steunend de deur uit.
Ze bleven lang weg. Wel meerdere dagen en nachten. Toen ze thuis kwamen namen ze enkel intense stilte en veel verdriet mee. Mijn lichtjes werden uitgedaan. Het wiegje bleef leeg.


Nog maandenlang heb ik in de huiskamer gestaan. Weet je dat dat er intens verdrietig uitziet, een onverlichte kerstboom in mei? Zo zag ik er niet alleen uit. Zo voelde ik me ook. Niet op mijn plaats met mijn glitters en goud.

Eind mei besloot het stel eindelijk om me af te tuigen en op te ruimen. Met veel tranen en verdriet verdween langzamerhand alle pracht en praal in de dozen. Ik werd terug gebracht tot mijn essentie van metaal en kunststof en samen met het wiegje op zolder gezet.


Ik was blij verrast toen we begin december weer van zolder werden gehaald. Na al dat verdriet had ik eigenlijk verwacht nog heel lang op zolder te staan. Maar hoewel de sfeer niet zo uitbundig was als het eerste jaar hing er wel weer hoop op geluk in de woonkamer.

Op de dag voor kerst was de sfeer wat bedrukter en vol stil verdriet. De sfeer leek zelfs volledig verziekt te worden toen de man van het stel het wiegje van zolder haalde en aan de vrouw gaf.
De vrouw begon onbedaarlijk te huilen maar tot mijn grote verbazing vloog ze hem om de nek en vertelde hem tussen de gierende uithalen door hoe blij ze met hem was en hoe ze hun kerstengeltje miste en dat dit het allermooiste was wat ze hem had kunnen geven.
Ze zette het wiegje aan mijn voet en toen zag ik dat er een betoverend mooie engel in lag.  Een kerstengel waarin al hun liefde voor hun engeltje en elkaar zichtbaar was geworden.


Elk jaar mocht ik op de dag voor kerst getuige zijn van het bijzondere moment waarop ze de kerstengel in het wiegje aan mijn voet legden. Elk jaar weer was het intens verdrietig en tegelijkertijd vreselijk mooi.

Dit jaar zal ik voor het laatst onderdeel zijn van deze intieme ceremonie. Mijn lichtjes zullen de kerstengel voor het laatst verlichten. Ik ben oud. Mijn takken hebben kale plekken. Het kunststof is verstaft en het metaal is moe.
Het stel heeft al een nieuwe kerstboom gekocht maar hebben besloten me nog eenmaal op te zetten. Om mij nog eenmaal met glitter en goud te versieren. Nog een keer zal het wiegje met de kerstengel aan mijn voet worden gezet.

Nog eenmaal breng ik licht donkere tijden. Daarna gaan mijn lichtjes definitief uit. Mijn taak is bijna volbracht.






zaterdag 16 september 2017

Kettingreactie

Het is chaos om mij heen. Eén grote bende van licht en geluid. Sirenes gillen, mensen roepen en ergens op de achtergrond hoor ik iemand huilen. Zwaailichten in alle kleuren flitsen af en aan.
De auto waar ik in zit ligt ondersteboven. Ik hang in de gordel tegen de deur aan. Ik voel een vloeistof over mijn gezicht lopen. Mijn arm slaapt. Ik heb het gevoel dat ik al minstens een half uur ik lig te wachten op wat gaat komen. Ik begin mijn kalmte wel een beetje te verliezen.

Natuurlijk weet ik best wel dat ik niet de enige ben die op hulp wacht. We zijn betrokken bij een grote kettingbotsing. Er zullen ongetwijfeld veel meer gewonden zijn, maar dat er nog niet eens even iemand is langsgekomen om te kijken hoe we er aan toe zijn vind ik toch erg onprettig. Alsof ze ons autootje niet hebben zien liggen achter die geschaarde vrachtwagen.
Plots moet ik denken aan de auto die ik naar het kanaal zag schuiven. Is die auto ook daadwerkelijk te water is geraakt? Zal de hulpverlening die dan wel zien? Zullen die inzittenden ook het gevoel hebben dat ze niet worden gezien en dus niet worden geholpen?

Naast mij hoor ik een zucht. Ik draai mijn hoofd en zie mijn dochter hangen. Ze hangt ondersteboven in haar gordel. Met driftige gebaren probeert haar haar uit haar gezicht te vegen maar de zwaartekracht werkt haar ernstig tegen. Geërgerd blaast ze naar een lok die haar neus kriebelt. Een rode vloeistof loopt over haar wang. Het geheel ziet er zo ontzettend absurd uit. Voor ik het me realiseer flap ik eruit: “Hang je lekker?”
Vol ongeloof kijkt ze me aan. Dan beginnen we allebei onbedaarlijk te lachen. We kunnen niet meer ophouden. Zelfs niet als de voorruit wordt verwijderd en mensen ons uit de auto proberen te helpen.

Bij de nabespreking prijzen de hulpverleners ons inlevingsvermogen. Nog nooit eerder hadden ze lotus slachtoffers gehad die zo goed hysterie hadden laten zien.





woensdag 17 mei 2017

De Stagiair

In gedachten verzonken loop ik over de parkeerplaats naar de ingang van het opleidingscentrum.

Het is al bijna een jaar geleden dat ik hier voor het laatst naar binnen liep. Jong en zo arrogant als een slimme student maar kan zijn. Ik dacht dat ik de wijsheid in pacht had. 
Het had dan ook zeer gedaan toen mijn studiebegeleider had gezegd dat ik nog niet klaar was voor het echte werk. Dat ik nog te jong was, te weinig levenservaring had, naïef was. Hij raadde me aan een stageplek te zoeken om ervaring op te doen en daarna pas het afsluitende gesprek te doen. De kans dat ik dan met een plek in het profilersteam naar buiten kwam was dan aanzienlijk groter.

Natuurlijk was ik niet blij. Ik was zelfs boos. Hoe durfde hij? Ik haalde op bijna alle vakken het hoogste cijfer van de klas. Iedereen prees mijn parate kennis, mijn ijver en mijn nauwkeurigheid. Maar ik wist wel waar hij die onzin vandaan haalde. Die Truus van Psychologisch Inzicht had natuurlijk lopen stoken. Die had het altijd op mij gemunt, zei dat ik arrogant was en dat dat me gemakzuchtig maakte. Zij had er vast voor gezorgd dat ik niet direct als profiler aan de slag kon. Ik kon haar wel wat aan doen.

Toen de woede wat afkoelde begon er een plan te ontstaan. Ik moest dus gaan stage lopen. Maar ik wilde absoluut niet in een bestaand team. Daar was de kans dat je een veredelde koffiehaler werd veel te groot. Als ik dan stage moest lopen wilde ik dat wel ergens doen waar ik ook echt wat kon leren. En na een aantal bezoeken aan de politiearchieven wist ik precies bij wie dat zou zijn.

De stagebegeleider die ik had uitgekozen stond niet bekend om zijn goede omgang met stagiairs. Eigenlijk was niet eens bekend of hij eerder stagiairs had gehad of mensen had opgeleid. Maar dit was van wie ik het meest zou leren over seriemoordenaars, hun rituelen, hun persoonlijkheid en hun sterke en zwakke kanten. Dit was voor mij de manier om mijn inzicht te vergroten.

Als snel kwam ik erachter dat mijn studiebegeleider gelijk had gehad. Ik was zo groen als gras. Kokhalzend zag ik de gevolgen van marteling. Kotsend rende  ik weg van de plaats delict. Gillend zag ik mensen doodbloeden zonder dat ik iets voor ze kon doen.

Maar ik leerde veel. Ik kreeg een inkijkje in de hersenspinsels van een monster. Ik kreeg een kijkje in zijn voorbereiding op de jacht. Ik leerde over het belang van rituelen en trofeeën. Ik leerde te kijken naar wat het monster deed en wat hij daarmee vertelde. Ik leerde te denken als het monster.

Gisteren heb ik mijn meesterproef gedaan. Die plek in het profilersteam kan mij niet ontgaan. De foto’s en filmpjes van de slachtoffers zullen onomstotelijk laten zien dat ik exact weet hoe een seriemoordenaar denkt en doet. 



dinsdag 10 januari 2017

De Boomhut



Vandaag word mijn boomhut afgebroken. Stuk voor stuk zullen mijn spullen er uit worden gehaald. Plank voor plank zullen mijn herinneringen worden afgevoerd. En mijn boomhut is gemaakt van heel veel planken.

De eerste versie van mijn boomhut heeft mijn vader voor mij gemaakt. Ik zal een jaar of zes zijn geweest dat hij er aan timmerde. Mijn moeder was boos want ze vond het maar een gevaarlijk iets, zo’n hutje van oud hout boven in de grote spar in onze achtertuin. Mijn vader vond dat ze zich geen drukte moest maken. Hij zou wel een hekje om het hutje maken zodat ik er niet zomaar uit kon vallen.

Het is de laatste keer dat mijn vader zijn aan mijn moeder gegeven woord hield. Toen de boomhut klaar was gaf hij mij een aai over mijn bol, pakte zijn boeltje  en is met de Noorderzon vertrokken. Het hekje is door de jaren heen wel gebleven.


Mijn moeder bleef de boomhut maar eng vinden. In het begin vroeg ik haar nog wel eens om bij mij op visite te komen maar als ze halverwege de slingerende touwladder was durfde ze niet verder omhoog. Hoewel ze wist dat het voor  mij belangrijk was kon ze zich niet over haar angst heen zetten en op den duur probeerde ze het niet eens meer.

Mijn aanvankelijke teleurstelling verdween snel toen ik besefte dat het inhield dat de boomhut echt mijn terrein was. Niets er in werd door mijn moeder gezien. Mijn eigen plek zonder ouderlijk toezicht. Ruimte die ik op geen enkele wijze hoefde te delen. Een plaats waar ik zelf de regels bepaalde. Mijn vader had mij mijn eigen hemel gegeven.


In het begin deed ik niet anders dan spullen naar mijn boomhut slepen. Ik kreeg van een buurman wat oude kussens van een bank om op te zitten. Een tante van me had nog wat oude dekens om onder te kruipen als het koud was. Een buurvrouw gaf me geregeld een stripboek en een andere buurvrouw verraste me af en toe met een grote stapel tijdschriften.

Door al dat gesleep van me werd de boomhut na verloop van tijd werd te klein en bouwde ik er een stuk bij aan. Een paar jaar later verstevigde ik de oorspronkelijke boomhut en zette er een verdieping bovenop. En nog weer later timmerde ik er nog een stuk bij aan. Eigenlijk kon je ook niet meer spreken van een boomhut want ondertussen stond het bouwwerk met diverse palen verankerd aan de grond. Enkel de ingang leunde nog op de boom.


Wat niet veranderde was het gevoel van vrijheid. Enkel mijn regels golden in de boomhut. Het begon een soort Las Vegas te worden. Wat gebeurde in de boomhut bleef in de boomhut. Letterlijk alles moest achterblijven. Niets wat in mijn boomhut kwam verliet het ooit nog. Tot vandaag.

Vandaag komt er een eind aan mijn eigen vrijstaat. Het huis is verkocht en de nieuwe eigenaren hebben besloten mijn boomhut te verwijderen. Ik kan ze niet meer tegenhouden. Maar ik hoop dat ze flink schrikken als ze mij in mijn boomhut terugvinden.