Posts tonen met het label fictie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label fictie. Alle posts tonen

maandag 25 december 2023

Van de regen in De Drup

 

Het is de dag voor kerst eind van de middag. Ondanks dat de kortste dag al is geweest is het al erg donker. Het licht van de straatlantarens schittert door de regendruppels. De wind laat mijn lange wintermantel opwaaien waardoor ik ook onder mijn jas nat wordt. Het is echt Hollands kerstweer.

Terwijl ik met een hand mijn jas op zijn plek probeer te houden balanceer ik in mijn andere hand een grote doos van een exclusieve delicatessenzaak in de binnenstad met daarop een telefoon met maps open. Ik heb een beetje spijt van mijn elegante glitterjurk met bijpassende pumps. Hoewel het me geweldig staat is het op dit moment verre van praktisch of elegant hoe ik me voortbeweeg door de donkere kleine straatjes waar de navigatie me doorheen probeert te loodsen.

Ik schiet een portiek in om even te kijken of ik nog steeds in de juiste richting loop. Zo te zien ben ik al in de juiste straat en moet ik alleen het goede huis nog vinden.

 

Een paar tellen later sta ik voor een imposante deur. Het is zo’n heel hoge, brede, rijkelijk versierde houten deur. Een deur die hoort bij een imponerend grote stadsvilla die tegenwoordig is opgedeeld in meerdere appartementen of kantoren. Maar bij deze voordeur zit maar een bel. Dat maakt de deur nog imposanter. Wat voor chique bedoening zal het wel niet zijn achter al dat houtsnijwerk? Ben ik niet hopeloos underdressed in mijn simpele Zara-jurkje?

 

Ik zal het maar toegeven, ik ben dood nerveus. Deze avond ga ik voor het eerst de familie van mijn partner ontmoeten.

Ik had ze graag eerder ontmoet maar de vader van Buizerd werkt voor de diplomatische dienst in Kuala Lumpur. Hij woont dus met zijn vrouw het grootste deel van het jaar in Maleisië. Hoewel de band tussen Buizerd en zijn ouders hecht en warm is, zien ze elkaar hierdoor sporadisch. De kennismaking met ouders was dus niet eerder mogelijk. Deze kerst is de eerste keer in lange tijd dat ze in Nederland zijn.

En ik wist zeer zeker wel dat de ouders van Buizerd als Diplomaten echtpaar goed in de slappe was zouden zitten maar zo rijk als deze voordeur deed vermoeden had ik niet verwacht. Zullen ze me wel goed genoeg vinden voor hun enige zoon?

 

Wanneer ik op de bel druk doe ik een schietgebedje dat Buizerd en zijn ouders al zijn gearriveerd maar aangezien de hele vlucht al een groot drama van niet aansluitende en vertraagde vluchten was zal het een wonder zijn als ze al op Schiphol zijn  aangekomen. Maar een mens mag altijd hopen, toch?

In de verte hoor ik de bel overgaan. Het geluid doet vermoeden dat het huis inderdaad zo immens is als de deur doet vermoeden.


Na wat een eeuwigheid wachten lijkt wordt de deur open gedaan door een meest merkwaardig en onwelriekend mannetje. Ik besef dat mijn eerste reactie er een van weerzin is. Iets wat ik niet van mezelf had verwacht. Ik ga er juist prat op dat ik een open en eerlijke blik op mijn medemens heb, een blik zonder oordelen.

Het terug deinzen van het aanzien en de walm geeft weinig blijk vaneen frisse, open blik tijdens een eerste kennismaking. Ik schaam me voor mijn eigen reactie en spreek mezelf streng toe dat dit gewoon een mens is. Weliswaar een smerig, stinkend, in vodden gekleed mens maar nog altijd een volwaardig mens. Maar de aanblik van deze stinkende, verwaarloosde, besmeurde persoon in de deuropening van dit grootse gebouw is zo onverwacht dat ik even van mijn stuk ben.

De man zelf lijkt mijn reactie niet op te merken. Hij laat zijn blik taxerend over me glijden en verwelkomt me vervolgens.

 

Ik stap een enorme hal binnen en trek mijn doorweekte jas uit. De man wijst op een garderobe en zegt me daar mijn jas neer te hangen en hem daarna te volgen. Het gebouw heeft van binnen evenveel allure en luster als je aan de buitenkant verwacht. We komen bij een ruimte gevuld met mensen. 

Het is een bijzondere verzameling mensen. Ik geloof dat ik nog niet eerder zo’n divers gezelschap heb gezien. Als er een naam is voor een groep paradijsvogels is dat hetgeen wat het gezelschap het beste omschrijft. Het zijn stuk voor stuk kleurrijke mensen. Vrije geesten, excentriekelingen, introverte muurbloemen in prachtige kleuren, extraverten die van zichzelf al zo kleurrijk zijn dat ze zich in zwart hullen. Maar er lijkt iets anders te zijn wat deze mensen verbindt, ik weet alleen nog niet wat.

 

Het mannetje wenkt me en wijst naar een vrouw in een glanzende galajurk. “U moet zich even bij die dame melden. Zij zal u vertellen wat er van u wordt verwacht.”

Wat er van mij wordt verwacht? Wat bedoelt hij daar mee? Maar voor ik het kan vragen loopt de man in flink tempo een gang in en verdwijnt uit zicht.

 

Even overdenk ik of ik er van door zal gaan maar dan besluit ik dat ik mij niet wil laten kennen. Ik zet mijn dappere gezicht op en loop op de dame in de glanzende jurk af. Wanneer ze me in het vizier krijgt spreidt ze haar armen en roept: “Ah daar ben je , lieverd. Buizerd zei al dat je hier zelfstandig naar toe zou komen. Ik zei nog, dat kan je dat arme kind toch niet aandoen maar volgens hem was het overmacht en kon het niet anders. Nou, volgens mij is het altijd nog een keus maar ja, hij zal die opudjes van m ook niet willen laten staan. Al denk ik dat Ome Aad en tante Clo zich huis wel zullen redden met een taxi maar ja, dat vond ie toch een wat koude ontvangst voor z’n ouwelui.? En dan daarbij, ik was toch in De Drup? Ik kon jou toch wel opvangen,  En dan zou ik de familie primeur hebben en je eerder ontmoeten dan ome Aad en tante Clo. Nou ja, daar kan je toch geen ‘nee’ tegen zeggen? Sowieso kan je toch geen ‘nee’ zeggen tegen dat lieve koppie van die lieve Buizerd. Of wel dan? Lieverd ik ben Agaath, dochter van Buizerd zijn tante Mar, nichtje van Buizerd dus. Ik zal je dit liefdadigheidsdiner doorloodsen.”

 

Overdonderd door de volgende smoorknuffel stel ik verbaasd vast dat ze niet eens buiten adem is na de woordenstroom. Dan dringt het plots door dat ze sprak over een liefdadigheidsdiner. Waar heeft ze het over? Welk liefdadigheidsdiner? Nog voor ik een vraag heb kunnen stellen roept Agaath al: ”Ojee, heeft Buizerd niets verteld over onze jaarlijkse actie ‘ Kerst in De Drup?”

Ik schudt mijn hoofd. Agaath neemt me bij de arm en zegt: ”Geeft niks. Het is een beetje een vuurdoop maar ik zal zorgen dat je hier goed doorheen komt. Buizerd zegt dat je een goed hart hebt en altijd het goede mensen wil zien dus dat maakt je geknipt voor dit diner. Loop maar gewoon met me mee, doe wat je hart je in geeft en ontspan. Alles komt goed.”

 

We zijn aangekomen bij een enorme ruimte die vol staat met tafels waarop kleding in alle soorten en maten ligt. Agaath trekt me achter een tafel en roept: “Laat de eersten maar komen.”

Er wordt een groep mensen binnen gelaten. Allemaal nat geregend, vies smoezelig en hoogstwaarschijnlijk dakloos. Schuchter lopen ze naar de tafels toe. Agaath knoopt een gesprekje met iemand aan en zoekt samen met deze persoon een set kleding uit, pakt van een rek een winterjas, uit een schappenkast een doos met stevige schoenen. Al snel wordt me duidelijk dat er niet alleen nieuwe kleding wordt uitgedeeld maar dat er ook kan worden gedoucht. Men kan zelfs naar de kapper.

 

In het begin sta ik nog wat onwennig naast Agaath maar al snel neemt mijn interesse in mensen het over. Ik help mensen met het uitzoeken van kleding, zoek de juiste maat schoenen voor ze op, lees zelfs een kerstkaart aan iemand voor en vergeet dat ik te maken heb met de zogenaamde zelfkant van de samenleving. De mensen die niet gezien en gehoord worden, geweerd zelfs. Voor mij is de barrière weggevallen. Ik kan ze weer zien voor wat ze zijn. Mensen als ieder ander, niet meer of minder, alleen met wat meer pech.

 

De tijd vliegt voorbij. Wanneer elk mens is voorzien van een frisse outfit worden we meegenomen naar een eetzaal. Agaath duwt een grote kar vol dampende schalen naar me toe. “”Tijd om te vliegen vogeltje! Deze is voor jou tafel die daar staat. Eet smakelijk.”

Ik plaats de schalen op de aangewezen tafel en ga zitten. We zitten in kleine groepjes aan ronde tafels waardoor er veel contact is. Al snel is de sfeer gezellig en gemoedelijk. Hoewel de gesprekken af en toe persoonlijk en zwaar zijn, geniet ik volop. Dit is waar kerst om draait. Samen zijn, contact en oprechte interesse.

 

Plots voel ik een tikje op mijn schouder en hoor een bekende stem die plagerig zegt: “Ben ik te min voor jouw aandacht?” Buizerd! Eindelijk is hij er. Ik schiet overeind om hem flink te omhelzen. Na een heel flinke knuffel en een stevige kus draait hij me naar een man die een oudere versie van hemzelf kon zijn. Dat was ik in alle drukte en gezelligheid vergeten, ik zou worden voorgesteld aan Buizerds ouders. Ik krijg spontaan weer de bibbers. De man zal vast denken dat ik geen greintje fatsoen heb met mijn geflikflooi met zijn zoon. Maar nog voor ik zijn uitgestoken hand kan beantwoorden, mijn excuses kan maken of mijn naam noemen hoor ik de sopraan van Agaath, “Ome Aad! Dit is een goeie hoor. Ze kwam van de regen in De Drup en hield zich niet alleen staande, ze werkte zich ook nog eens een slag in de rondte. Als Buizerd d’r niet meer wil neem ik ‘r wel.”

De lachbui die deze opmerking veroorzaakt laat al mijn spanning en zenuwen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Enigszins onzeker zal ik altijd wel blijven maar als ik me tijdens een onverwacht liefdadigheidsdiner kan slaan kan het ontmoeten van schoonouders alleen maar meevallen. Vol vertrouwen steek ik mijn hand uit en zeg: “Hallo, ik ben Kimberly, de vriendin van Buizerd. Fijn u eindelijk te kunnen ontmoeten.”

 

 

maandag 11 juli 2022

De levensloopbibliotheek

 

Besluiteloos kijkt Mijke naar het boek. Dit is het juiste boek. Daar staat haar naam. Dit is het boek van haar leven. Zal ze het durven open slaan? Wil ze lezen wat er in staat?

Ze laat haar blik glijden over haar omgeving. Haar gastvrouw had dit de bibliotheek genoemd maar het doet Mijke meer denken aan zo’n archiefruimte zoals je die in Amerikaanse films of series ziet. Zo een waar je met een groot wiel de stellingen uit elkaar draait om dingen uit het archief te halen.

 

De bibliotheek is veel kleiner dan Mijke had verwacht. Niet dat ze weet wat ze precies had verwacht. Maar in ieder geval geen tl-verlichte ruimte waar net een leestafel met stoel inpast ingesloten door metalen wanden met wielen erop.

Mijke’s voorstelling van een bibliotheek was vele malen romantischer. Hoge houten kasten vol met boeken. Trapjes en ladders om ook bij de bovenste planken te kunnen. Grote stevige bureaus met leren leggers en sierlijke bureaulampen. Comfortabele stoelen met kleine tafeltjes en grote leeslampen. Alles er op gericht lekker rond te snuffelen en door boeken te bladeren en vrijuit te kunnen mijmeren over de inhoud. Deze ruimte was zo steriel, zo zakelijk. Niets wees erop dat er hier iets interessants te lezen was.

 

Plots moet ze denken aan iets wat haar gastvrouw tegen haar had gezegd toen Mijke zei dat ze het huis zo onopvallend en doorsnee vond. Wat was het ook weer? O ja. “Juist jij als journalist zou moeten weten dat de meest interessante verhalen schuilen in het meest alledaags.”

De opmerking was maar half bij haar binnen gekomen omdat ze met stomheid geslagen was dat deze vrouw wist dat ze journalist van beroep was. Ze was hier ook niet beroepshalve. Ze was hier omdat ze tijdens de zoektocht naar verhalen over haar overgrootouders had ontdekt dat er hier naslagwerken zouden zijn over de levensloop van alle personen die in deze regio geboren waren. Haar nieuwsgierigheid was gewekt en een afspraak snel gemaakt. Haar beroep had ze nergens vermeld en er was ook niet naar gevraagd. En aangezien Mijke voor een lokale krant aan de andere kant van het land werkte leek het haar stug dat deze vrouw ooit een artikel van haar had gelezen en haar naam daarvan onthouden.

 

Mijke schrikt op uit haar overpeinzingen door het kraken van een traptree. Ze kijkt om en ziet haar gastvrouw de kleine leesruimte binnen komen. Vriendelijke ogen kijken haar aan. Het zijn bijzondere ogen. Ogen die veel zien. Ogen die geen vragen stellen, niet oordelen en niet nieuwsgierig zijn maar enkel openheid en vriendelijkheid uitstralen. Waar Mijke zich geregeld ongemakkelijk voelt als iemand haar langdurig aankijkt voelt ze nu enkel ontspanning en geruststelling.

Mijke kijkt nog eens naar het gesloten boek wat voor haar op tafel ligt. De vrouw volgt haar blik. Mijke kijkt haar aan. Ze heeft zoveel vragen.

“Weet je wat een levensloopboek is,” vraagt de vrouw met zachte stem. Mijke schudt haar hoofd. Ze heeft natuurlijk wel ongeveer een idee maar dat idee is op losse schroeven komen te staan toen ze haar eigen naam op een van de vele boeken in het archief zag staan. Ze dacht namelijk dat het een soort biografie zou zijn. Of een verzameling informatie zoals bij een knipselkrant.

 

“Een levensloopboek wordt bij leven gevuld met herinneringen. Niet jouw herinneringen maar hoe mensen jou zullen gaan herinneren.” Mijke kijkt haar niet begrijpend aan.

“In dit boek worden kleine voorvallen worden opgenomen. Het moment dat je vriendelijk was naar iemand. Die keer dat jullie op vakantie in de stromende regen verdwaalden. Je aanwezigheid bij het huwelijk van je vriendin. Allemaal herinneringen aan jou, herinneringen die jouw leven invulling hebben gegeven. En steeds als zo’n herinnering aan jou wordt opgeroepen opent het boek en openbaart de herinnering zich.”

Nog nieuwsgieriger geworden trekt Mijke het boek naar zich toe. Ze legt haar vinger om de hoek van het voorblad. De vrouw legt haar hand over haar hand.

“Voor dat je dit boek openslaat moet je weten jouw boek op dit moment nog geschreven wordt. Over enkele ogenblikken wordt dit moment toegevoegd. Vanuit mijn geheugen zal mijn herinnering aan jou worden genoteerd. De gevolgen van willekeurig dit boek openen zijn groot. Je leven zal nooit meer hetzelfde zijn.”

 

Nogmaals kijkt Mijke naar het boek wat voor haar ligt. Ze voelt de strijd tussen de twijfel en de nieuwsgierigheid. Ze ademt scherp in en slaat dan kordaat het voorblad om.

 

Uren aan één leest Mijke in haar levensloopboek. Het lijkt wel of de pagina’s zich tijdens het lezen vullen. Herinnering na herinnering komt tevoorschijn. Gebeurtenissen rijgen zich aan één. Uren worden dagen. Dagen worden maanden. onverstoorbaar leest ze door. Tot de dag dat ze aankomt bij een herinnering van haar zittend aan tafel.

Er is iets vreemds met deze herinnering. Tijdens alle voorvallen en gebeurtenissen zag ze zichzelf door de ogen van anderen. Het waren duidelijk herinneringen van andere mensen aan haar. Deze herinnering voelt anders. Deze voelt als van haarzelf. Ze kijkt op en ontmoet opnieuw de vriendelijke ogen van de vrouw. Dan herkent ze plots de ogen. Hoe kan ze ook anders ze ziet ze al haar hele leven elke dag.

Terwijl het beeld van de vrouw langzaam vervaagd slaat Mijke het boek dicht. Even huivert ze. Dan pakt ze het boek op en zet het terug op de plek waar ze het lang geleden had gevonden. Wat er zou zijn gebeurd als ze het boek gesloten had gelaten zal ze nooit weten. Wat ze wel weet is dat ze een levensloopbibliotheek te beheren heeft.

 

woensdag 16 december 2020

Vervelen

 

Ik slenter wat over straat. Ik schop wat tegen een roestig blikje. Om mij heen klinkt het gekras van de vele roeken die in de bomen langs het pad hun nesten hebben terwijl in mijn hoofd mijn gedachten alle kanten op gaan. Het is al dagen een puinhoop in mijn hoofd. Allerlei gedachten buitelen over elkaar heen. Goede en slechte, reële en irreële, sommige waar en sommige pure fantasie. Het onderscheid tussen wat echt is en wat niet vervaagd steeds verder.

Een gevoel van lamlendigheid overvalt me. Vragen komen in me op. Wat doe ik hier? Wat heeft het voor zin? Heeft überhaupt iets zin? Moet ik niet wat doen?  Ik maak me groot en schreeuw uit: ”Wat moet ik doen? Wat kan ik doen? Ik verveel me!”.

Verschrikt vliegen de roeken op. Hun boze gekras brengt een herinnering bij me boven.

 

verveling

Ik zal een jaar of tien zijn geweest dat mijn broers en ik ons enorm verveelden. Het zal in een vakantie zijn geweest want we waren alle vier thuis en zaten ons zelf en elkaar danig in de weg. Onze moeder werd compleet tureluurs van ons geruzie, gevecht en gezeur. Ik weet nog dat ze op een gegeven moment uit riep: “Wegwezen! Jullie allemaal. Het kan me niet schelen wat jullie gaan doen. Van mijn part gaan jullie op het Damrak fietsen met gouden sturen jatten! Wegwezen nu!” Nu wisten we zeker, het is menens. En dus gingen we.

 

Eerst naar het pleintje bij de flats. Lekker balletje trappen. Maar al snel werden we weggestuurd omdat mensen bang waren dat we in onze onbesuisdheid hun auto’s zouden beschadigen.

Toen naar het schoolpleintje een paar straten verder op. Daar werden we weggestuurd door de politie omdat een paar eikels ’s avonds fikkie stookten en dus het hele plein verboden was gemaakt. Door naar het trapveldje maar dat lag vol gebroken flessen.

We hadden ondertussen flink de smoor in dat we nergens konden spelen. Het speeltuintje waren we veel te groot voor en zat sowieso vol met ukkies. Het basketbalveldje was altijd bezet door grote jongens. Nergens was er plek voor ons. En moeder was heel duidelijk geweest. We mochten met etenstijd pas weer thuis komen.

 

Het zal mijn oudste broer zijn geweest die met het plan kwam naar het grote park te gaan. Eigenlijk mochten we daar niet komen zonder vader of moeder, want volgens hun “gebeurden er dingen die het daglicht niet konden verdragen” maar va en moe die waren er nou niet en we moesten toch ergens heen.

 

In het park

Daar gingen we met z’n vieren. Naar het grote park. Eerst de grote weg aflopen. Dan bij de stoplichten oversteken. Nog een keertje links af slaan en dan de stalen hekken door.

 

Vooraan was een met bosschage omringd grasveldje, waar we met va en moe wat balden  maar zelf vonden we dit net wat te klein om lekker te voetballen. We wisten dat er achter de parkvijver een wat groter veld was. Daar gingen we naar toe. We deelden ons op in twee teams. Ik, de jongste speelde met onze oudste broer en de twee anderen vormden de tegenstander. We deden onze shirts uit om de doelen mee te markeren en begonnen eindelijk aan ons potje voetbal.

 

We zijn alle vier zeer fanatiek en kunnen slecht tegen ons verlies. Het vriendschappelijke potje mondde dus al snel uit in een felle strijd. Tijdens een woordenwisseling over een vermeende overtreding werd een van ons zo boos over het vermeende onrecht dat hij de bal wild wegtrapte. Zo de bossen in. Natuurlijk zo ver dat we de bal niet zagen liggen en er niks anders op zat dan allemaal tussen de bomen gaan zoeken.

 

 

De roeken

 

Het zoeken duurde lang. Het was donker onder de bomen en er was een wildgroei aan  bosjes en struiken. Alles stond zo dicht op elkaar dat het erg moeilijk was te zien of er misschien een voetbal lag.

Plots klonk er een gil en vlogen er overal roeken krassend weg. De gil was onmiskenbaar van een van mijn broers. Ik holde meteen in de richting van het geluid. Terwijl het geluid van de roeken verstomde hoorde ik mijn oudste broer roepen. AL gauw kwamen we samen bij een soort open plek waar een van mijn broers tegenover een groepje van jongemannen stond. Deze jongemannen hadden overduidelijk weinig goeds in de zin. Ze stonden met geheven vuisten en een enkeling had zelfs een mes in handen. Ik keek even naar mijn andere broers. Deze knikten allebei en toen stapten we op de groep af.

Graag had ik verteld dat het gevecht episch was, maar dat zou gelogen zijn. Het was gewoon een zeer stevige knokpartij. Zo één waar geen eind aan lijkt te komen. We sloegen en we schopten. Net zo lang tot geen tegenstander meer stond. Het was een grote roes met als beloning de grootste kik die we ooit hadden gehad.

Na deze keer volgden er meer matpartijen. Vooral als we ons verveelden zochten we groepen rondhangende jongens op. Die waren altijd zo snel opgefokt dat het gegarandeerd knokken werd.

 

Nu ik de roeken weer hoor krassen besef ik dat het al weer een tijdje geleden is dat we een leuk verzetje hebben gehad. Ik kijk eens om me heen, spot een groepje hangjongeren, maak een foto met mijn telefoon, zet ‘m in de groepsapp en typ: “Ik verveel me.”

 

Vervelen = 1) Ergeren 2) Klieren 3) Lastig worden 4) Nergens zin in hebben 5) Niet boeien 6) Tegenstaan 7) Zich niet weten te vermaken.

 

#WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verzint Ali een woord waar je over kunt schrijven (bloggen, vloggen of ploggen). Niets moet, alles mag. Je kunt op ieder moment instappen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

woensdag 17 mei 2017

De Stagiair

In gedachten verzonken loop ik over de parkeerplaats naar de ingang van het opleidingscentrum.

Het is al bijna een jaar geleden dat ik hier voor het laatst naar binnen liep. Jong en zo arrogant als een slimme student maar kan zijn. Ik dacht dat ik de wijsheid in pacht had. 
Het had dan ook zeer gedaan toen mijn studiebegeleider had gezegd dat ik nog niet klaar was voor het echte werk. Dat ik nog te jong was, te weinig levenservaring had, naïef was. Hij raadde me aan een stageplek te zoeken om ervaring op te doen en daarna pas het afsluitende gesprek te doen. De kans dat ik dan met een plek in het profilersteam naar buiten kwam was dan aanzienlijk groter.

Natuurlijk was ik niet blij. Ik was zelfs boos. Hoe durfde hij? Ik haalde op bijna alle vakken het hoogste cijfer van de klas. Iedereen prees mijn parate kennis, mijn ijver en mijn nauwkeurigheid. Maar ik wist wel waar hij die onzin vandaan haalde. Die Truus van Psychologisch Inzicht had natuurlijk lopen stoken. Die had het altijd op mij gemunt, zei dat ik arrogant was en dat dat me gemakzuchtig maakte. Zij had er vast voor gezorgd dat ik niet direct als profiler aan de slag kon. Ik kon haar wel wat aan doen.

Toen de woede wat afkoelde begon er een plan te ontstaan. Ik moest dus gaan stage lopen. Maar ik wilde absoluut niet in een bestaand team. Daar was de kans dat je een veredelde koffiehaler werd veel te groot. Als ik dan stage moest lopen wilde ik dat wel ergens doen waar ik ook echt wat kon leren. En na een aantal bezoeken aan de politiearchieven wist ik precies bij wie dat zou zijn.

De stagebegeleider die ik had uitgekozen stond niet bekend om zijn goede omgang met stagiairs. Eigenlijk was niet eens bekend of hij eerder stagiairs had gehad of mensen had opgeleid. Maar dit was van wie ik het meest zou leren over seriemoordenaars, hun rituelen, hun persoonlijkheid en hun sterke en zwakke kanten. Dit was voor mij de manier om mijn inzicht te vergroten.

Als snel kwam ik erachter dat mijn studiebegeleider gelijk had gehad. Ik was zo groen als gras. Kokhalzend zag ik de gevolgen van marteling. Kotsend rende  ik weg van de plaats delict. Gillend zag ik mensen doodbloeden zonder dat ik iets voor ze kon doen.

Maar ik leerde veel. Ik kreeg een inkijkje in de hersenspinsels van een monster. Ik kreeg een kijkje in zijn voorbereiding op de jacht. Ik leerde over het belang van rituelen en trofeeën. Ik leerde te kijken naar wat het monster deed en wat hij daarmee vertelde. Ik leerde te denken als het monster.

Gisteren heb ik mijn meesterproef gedaan. Die plek in het profilersteam kan mij niet ontgaan. De foto’s en filmpjes van de slachtoffers zullen onomstotelijk laten zien dat ik exact weet hoe een seriemoordenaar denkt en doet. 



zondag 26 juni 2016

Bushalte

De inspiratie. Foto van Petrouschka Zandvliet, 
Het is nog vroeg  in de ochtend als ik op mijn vaste plaats ga staan. Ik ben mooi op tijd. Genoeg tijd om me te installeren voor ze komt. Want ze komt vandaag. Ik weet het zeker. Ik heb het haar zelf horen zeggen. Vandaag gaat ze met de bus.
Vanaf mijn plekje kan ik de bushalte goed zien zonder gezien te worden. Ze weet namelijk niet dat ik haar elke keer dat ze bij de bushalte staat observeer. Dat vind ik wel leuk. Dat maakt het spannend. Zal ze me ontdekken? Of zal ze weer onwetend in de bus stappen?

Daar komt ze aan lopen. Ze sjokt een klein beetje alsof er nog net niet genoeg koffie in haar bloed zit om haar normale veerkrachtige tred te kunnen inzetten. Het is natuurlijk ook nog erg vroeg maar ik weet dat ze al even wakker is.
Want ook dat heb ik gezien. Gewoon terwijl ik onderweg was naar mijn kijkplekkie. Niet dat je denkt dat ik een of andere gluurder ben die haar stalkt. Stalken doe ik niet aan. Ik hoef niet alles te weten. Ik mag graag kijken maar er mag nog wel iets aan de verbeelding overblijven.

Ze is aangekomen bij de bushalte. Ze oogt wat ongedurig, hoppend van haar ene been op het andere. Maar dat doet ze altijd als ze niets anders kan dan wachten. Wachten zit niet echt in haar natuur. Ze blijft graag bezig dan voelt ze haar rusteloosheid niet. Als ze bezig is voelt ze zich sterk en daadkrachtig, een krachtig en zeker persoon. Zolang ze iets kan doen krijgt haar onzekerheid geen grip op haar gedachten.
Ze haalt zichtbaar diep adem en staart wat in de verte. Dan doet ze iets wat ik haar al ontelbare keren eerder heb zien doen. Ze pakt haar telefoon en maakt een foto. Die foto moet meteen op sociale media geplaatst worden en dat geeft haar een reden om met haar neus in haar telefoon te verdwijnen. Dat kan ze namelijk niet zo maar doen. Ze heeft namelijk een zeer uitgesproken mening over ‘dat volk dat altijd met minstens een oog naar hun telefoon kijkt’.

Ik moet gaan opschieten want de bus kan elk moment aan komen rijden. En het moet vandaag want anders is het te laat. Volgende week zal hun huis leeg staan en zal ze nooit meer ’s ochtends vroeg bij de bushalte staan. Voorzichtig begin ik haar richting op te lopen. Mijn spieren zijn gespannen van het tegenhouden van de aandrang te gaan rennen. Ik mag niet rennen. Ik mag niets doen waardoor haar interesse in haar telefoon even verslapt en ze me misschien opmerkt.
Mijn hart bonst. Ik voel bij elke stap die ik dichterbij kom het bloed harder door mijn aders pompen. Vanaf vandaag zal anders alles zijn. Vandaag ga ik mijn heimelijke droom waarmaken. Vanaf vandaag zal ik niet meer naar de bushalte hoeven om haar te bekijken. Vandaag ga ik doen wat ik al twee jaar in gedachten aan het oefenen ben.


In de verte komt de bus aanrijden. Wanneer de bus de halte nadert schudt de chauffeur even zijn hoofd. Hij zou toch zweren dat zijn vaste passagier daar net op zijn bus stond te wachten. Hij zal zich wel vergist hebben. Vandaag zal de eerste bus leeg naar het station rijden.