zaterdag 26 december 2020

Krampus

 

In een blokhut bedolven door sneeuw gaat Lenna aan de keukentafel zitten. Ze vouwt haar handen om de kop thee die ze net voor zichzelf heeft gezet. Ze zucht diep en laar haar hoofd hangen. Ze voelt een langzame traan over haar gezicht lopen. Ze wil hem wegvegen maar bedenkt zich. Wat maakt het uit dat er een traan over haar wang rolt? Er is toch niemand die het kan zien. Ze kan zo lelijk huilen als ze wil.

 

Geërgerd onderdrukt ze een snik. Dat ze lelijk kan huilen wil nog niet zeggen dat ze dat dan ook maar moet gaan doen. Met huilen komt Maarten niet terug. Als dat zo zijn had hij drie uur geleden alweer voor haar neus gestaan. Maar dat was niet zo, dus huilen helpt niets. Ze kon beter eens gaan nadenken hoe ze hier weg kon komen, want die hufter was niet alleen weggegaan zonder iets te zeggen, hij had ook de auto meegenomen. Nu zat ze vast hier in dat godvergeten niemandsland onder de sneeuw.

 

Lenna zucht nog eens diep en rekt zich dan langzaam uit. Ze ademt nog eens diep in en weer uit. Daar wordt het iets helderder van in haar hoofd. Haar blik valt op de adventskalender midden op de keukentafel. Ze huivert.

Al vanaf het moment dat Maarten hem aan haar gaf krijgt ze de kriebels van dat ding. Sowieso is het geen traditionele adventskalender met 24 hokjes voor 24 dagen. Nee, dit ding telt één uur af in 12 hokjes.

En in plaats van idyllische kersttafereeltjes staat hier een Krampus op, zo’n enge soort Sinterklaas. Die met die bloeddoorlopen ogen, punttanden en kwaadaardige grijns.

 

Maarten had gezegd dat hij meteen aan haar had moeten denken toen hij de adventskalender zag. Het was zo’n leuke gadget en had zo’n leuk griezelthema. Ze hield toch zo van horror? Echt een kerstcadeau voor haar.

Vol afgrijzen had ze de kalender op de keukentafel gesmeten, schreeuwend dat hij een incompetente, onattente en onnadenkende rotvent was. Ze had hem voor de voeten gesmeten dat ze speciaal voor hem in deze pokke blokhut was gaan zitten, ver weg van haar familie en zo mogelijk nog verder weg van de bewoonde wereld. Stampvoetend was ze naar de slaapkamer gegaan en huilend op het bed in slaap gevallen.

Toen Lenna wakker werd was Maarten weg. Het enige wat er lag was die stomme kalender en een briefje waarop stond: ‘Maak dat ding open. Het eerste vakje moet op eerste kerstdag om vijf uur open zijn, anders zijn de gevolgen jouw verantwoordelijkheid.”

Opstandig als ze zich voelde heeft ze de kalender in de prullenbak gemieterd. Om hem daar drie uur later toch maar weer uit te halen. De deadline is dan wel al verstreken dus gevoelsmatig heeft ze gewonnen. Ze heeft zich niet laten dwingen.

 

Lenna pakt de kalender op en bekijkt ‘m nog eens goed. Het is echt een raar ding. Waar een gewone adventskalender van die plastic bakjes voor de chocolaatjes heeft is deze helemaal vlak. Er zit wel een soort verdikking bij de deurtjes maar daar past niets in.

 

Lenna kan haar nieuwsgierigheid niet langer bedingen en maakt deurtje één open. Stomverbaasd kijkt ze naar een QR-code. Ze pakt haar telefoon en scant de code. Het blijkt een link te zijn naar een filmpje met de titel ‘stap 1’.

Wanneer het filmpje begint af te spelen schrikt Lenna zich rot. Ze ziet Maarten met een groot mes in zijn hand. Hij staat gebogen over het lichaam van Julius, het achtjarige zoontje van haar broer. Dan houdt het filmpje abrupt op.

Trillend maakt Lenna het tweede deurtje open. Weer een QR-code. Het filmpje wat hier aan gelinkt zit gaat verder waar het vorige ophield. Ze hoort Julius gillen en op de achtergrond haar schoonzusje snikken. De camera draait naar de keukenvloer en daar ziet ze haar broer liggen. Hij zit onder de bloedvlekken. Het lijkt alsof hij op meerdere plekken is gestoken. Vlak achter hem ziet ze Romy, haar nichtje liggen.

Met elk deurtje wat Lenna openmaakt wordt de nachtmerrie groter. Haar hele familie brengt eerste kerstdag door bij haar broer. Ze ziet ze één voor één voorbij komen. Sommige onder het bloed, anderen doodstil in een onnatuurlijke houding op grond, een bed of aan de eettafel. Het lijkt wel een scène uit een hele slechte horrorfilm.

 

Wanneer Lenna bij het laatste deurtje aan is gekomen komt Maarten in beeld. Hij ziet er vreselijk uit. Zijn mond is vertrokken in een grimas, zijn ogen schieten heen en weer, alles in zijn houding schreeuwt waanzinnigheid uit. Hij begint tegen de camera te praten:

“Krampus is boos op jou Lenna. Krampus wilde jou een mooi cadeau geven Lenna. Maar Lenna kon niet dankbaar zijn. Lenna wilde niet luisteren. Lenna deed niet wat ze moest doen. Dit is jouw straf Lenna. Ieder die je lief is, is voor Krampus. Dit is mijn wraak voor je ondankbaarheid.”

Dan gaat het beeld op zwart.

 

Ontsteld kijkt Lenna naar haar telefoon. Dit kan toch niet waar zijn? Heeft ze dit echt gezien? Wanhopig probeert ze de QR-codes opnieuw te scannen maar ze blijken niet meer te werken. Ze probeert haar broer te bellen maar de telefoon schakelt direct naar voicemail. Wanneer ze haar moeder belt gebeurt precies hetzelfde. Dan valt het bereik van haar telefoon weg.

 

Paniek neemt nu de overhand. Hoe kan haar bereik nou zomaar wegvallen? Het was de hele dag meer dan uitstekend. Ze had nog gegrapt dat haar provider een beter bereik had voor boerenkinkels dan voor gewone mensen.

Plots hoort ze buiten geluiden. Het klinkt alsof er iemand aan komt hinken. Iets groots. Iets wat iets zwaars meesjouwt. Een vreselijke metaalachtige stem lijkt haar te roepen. Het lijkt wel alsof die stem toebehoort aan iets wat niet op deze aarde hoort rond te lopen. Aan iets wat door waanzin is gegrepen. Als iemand die bezeten is door iets als een Krampus.

Angst neemt nu de paniek over. Lenna begint sneller en sneller te ademen. Haar hart klopt als een bezetene. Haar hoofd begint te bonzen en bonken. Ze strompelt naar de gootsteen en geeft over.

 

Precies op dat moment zwaait de keukendeur open en stormen er twee kinderen de hut binnen. “Tante Lenna, tante Lenna! Hebben we geen gave film gemaakt? En nog interactief ook!”

Ze draait zich om en kijkt recht in de lachende gezichten van haar familie die het als het ultieme kerstcadeau zagen om de horrorfan de ultieme horrorervaring te geven.

 

 

 

 

woensdag 16 december 2020

Vervelen

 

Ik slenter wat over straat. Ik schop wat tegen een roestig blikje. Om mij heen klinkt het gekras van de vele roeken die in de bomen langs het pad hun nesten hebben terwijl in mijn hoofd mijn gedachten alle kanten op gaan. Het is al dagen een puinhoop in mijn hoofd. Allerlei gedachten buitelen over elkaar heen. Goede en slechte, reële en irreële, sommige waar en sommige pure fantasie. Het onderscheid tussen wat echt is en wat niet vervaagd steeds verder.

Een gevoel van lamlendigheid overvalt me. Vragen komen in me op. Wat doe ik hier? Wat heeft het voor zin? Heeft überhaupt iets zin? Moet ik niet wat doen?  Ik maak me groot en schreeuw uit: ”Wat moet ik doen? Wat kan ik doen? Ik verveel me!”.

Verschrikt vliegen de roeken op. Hun boze gekras brengt een herinnering bij me boven.

 

verveling

Ik zal een jaar of tien zijn geweest dat mijn broers en ik ons enorm verveelden. Het zal in een vakantie zijn geweest want we waren alle vier thuis en zaten ons zelf en elkaar danig in de weg. Onze moeder werd compleet tureluurs van ons geruzie, gevecht en gezeur. Ik weet nog dat ze op een gegeven moment uit riep: “Wegwezen! Jullie allemaal. Het kan me niet schelen wat jullie gaan doen. Van mijn part gaan jullie op het Damrak fietsen met gouden sturen jatten! Wegwezen nu!” Nu wisten we zeker, het is menens. En dus gingen we.

 

Eerst naar het pleintje bij de flats. Lekker balletje trappen. Maar al snel werden we weggestuurd omdat mensen bang waren dat we in onze onbesuisdheid hun auto’s zouden beschadigen.

Toen naar het schoolpleintje een paar straten verder op. Daar werden we weggestuurd door de politie omdat een paar eikels ’s avonds fikkie stookten en dus het hele plein verboden was gemaakt. Door naar het trapveldje maar dat lag vol gebroken flessen.

We hadden ondertussen flink de smoor in dat we nergens konden spelen. Het speeltuintje waren we veel te groot voor en zat sowieso vol met ukkies. Het basketbalveldje was altijd bezet door grote jongens. Nergens was er plek voor ons. En moeder was heel duidelijk geweest. We mochten met etenstijd pas weer thuis komen.

 

Het zal mijn oudste broer zijn geweest die met het plan kwam naar het grote park te gaan. Eigenlijk mochten we daar niet komen zonder vader of moeder, want volgens hun “gebeurden er dingen die het daglicht niet konden verdragen” maar va en moe die waren er nou niet en we moesten toch ergens heen.

 

In het park

Daar gingen we met z’n vieren. Naar het grote park. Eerst de grote weg aflopen. Dan bij de stoplichten oversteken. Nog een keertje links af slaan en dan de stalen hekken door.

 

Vooraan was een met bosschage omringd grasveldje, waar we met va en moe wat balden  maar zelf vonden we dit net wat te klein om lekker te voetballen. We wisten dat er achter de parkvijver een wat groter veld was. Daar gingen we naar toe. We deelden ons op in twee teams. Ik, de jongste speelde met onze oudste broer en de twee anderen vormden de tegenstander. We deden onze shirts uit om de doelen mee te markeren en begonnen eindelijk aan ons potje voetbal.

 

We zijn alle vier zeer fanatiek en kunnen slecht tegen ons verlies. Het vriendschappelijke potje mondde dus al snel uit in een felle strijd. Tijdens een woordenwisseling over een vermeende overtreding werd een van ons zo boos over het vermeende onrecht dat hij de bal wild wegtrapte. Zo de bossen in. Natuurlijk zo ver dat we de bal niet zagen liggen en er niks anders op zat dan allemaal tussen de bomen gaan zoeken.

 

 

De roeken

 

Het zoeken duurde lang. Het was donker onder de bomen en er was een wildgroei aan  bosjes en struiken. Alles stond zo dicht op elkaar dat het erg moeilijk was te zien of er misschien een voetbal lag.

Plots klonk er een gil en vlogen er overal roeken krassend weg. De gil was onmiskenbaar van een van mijn broers. Ik holde meteen in de richting van het geluid. Terwijl het geluid van de roeken verstomde hoorde ik mijn oudste broer roepen. AL gauw kwamen we samen bij een soort open plek waar een van mijn broers tegenover een groepje van jongemannen stond. Deze jongemannen hadden overduidelijk weinig goeds in de zin. Ze stonden met geheven vuisten en een enkeling had zelfs een mes in handen. Ik keek even naar mijn andere broers. Deze knikten allebei en toen stapten we op de groep af.

Graag had ik verteld dat het gevecht episch was, maar dat zou gelogen zijn. Het was gewoon een zeer stevige knokpartij. Zo één waar geen eind aan lijkt te komen. We sloegen en we schopten. Net zo lang tot geen tegenstander meer stond. Het was een grote roes met als beloning de grootste kik die we ooit hadden gehad.

Na deze keer volgden er meer matpartijen. Vooral als we ons verveelden zochten we groepen rondhangende jongens op. Die waren altijd zo snel opgefokt dat het gegarandeerd knokken werd.

 

Nu ik de roeken weer hoor krassen besef ik dat het al weer een tijdje geleden is dat we een leuk verzetje hebben gehad. Ik kijk eens om me heen, spot een groepje hangjongeren, maak een foto met mijn telefoon, zet ‘m in de groepsapp en typ: “Ik verveel me.”

 

Vervelen = 1) Ergeren 2) Klieren 3) Lastig worden 4) Nergens zin in hebben 5) Niet boeien 6) Tegenstaan 7) Zich niet weten te vermaken.

 

#WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verzint Ali een woord waar je over kunt schrijven (bloggen, vloggen of ploggen). Niets moet, alles mag. Je kunt op ieder moment instappen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

vrijdag 21 februari 2020

In gevecht


Mijke voelt de handen nog voor ze ziet aankomen. Ze pakken haar stevig vast. Paniek laait in haar op. Ze schreeuwt. “laat me los! Laat me los. Ik wil hier weg. Laat me gaan!”
Haar schreeuwen heeft geen effect. De handen laten haar niet los. Mijke probeert zich los te wurmen. Ze draait, ze schopt, ze probeert te slaan, maar niets heeft effect. In de verte hoort ze een stem die haar probeert te bereiken maar ze verzet zich hevig tegen de woorden vol vergif.
Ze probeert bij bewustzijn te blijven maar voelt dat ze de strijd begint te verliezen. Langzaam zakt ze weg in de duistere afgrond die haar gretig opslokt.


Wanneer Mijke wakker wordt heeft ze een onheilspellend gevoel. Het voelt alsof ze in een groot gevaar is. Ze probeert overeind te komen maar merkt dat haar armen vastgebonden zitten aan het bed waar ze op ligt. ze heeft het gevoel dat ze wordt bekeken. Voorzichtig draait ze haar hoofd en kijkt recht in een paar vuurspugende ogen. Ze begint te gillen.
Al snel hoort ze een deur open gaan. In de verte hoort ze de stem die haar op zachte toon tot rust maant. Dan voelt ze de handen weer. Dit keer komt de duisternis hard en snel.


Het is gelukt! Na heel lang observeren en proberen is het Mijke gelukt te ontsnappen. Ze rent en rent. Ze rent langs bomen, een rivier, bospaden en snelwegen. Maar hoe hard ze ook rent, waar ze ook allemaal langs komt ze heeft het gevoel dat ze geen stap van het gevaar vandaan komt.
Ze blijft de hete adem in haar nek voelen. De vuurspugende ogen blijven naar haar loeren en ze blijft de druk van de handen voelen. Ze rent en rent, maar de duisternis weet haar toch weer te achterhalen.


Moe is ze. Moe van het vechten, van het wegrennen en van het steeds opnieuw wegzakken in duisternis. Langzamerhand verzet Mijke zich steeds minder tegen de zachte stem in de verte. De afstand tussen haar en de stem wordt kleiner. Ze hoort de stem zeggen dat ze veilig is, dat ze niet bang hoeft te zijn en ze gelooft dat het waar is.


Mijke doet haar ogen open en ziet dat ze in een kille, kale kamer ligt. Ze voelt ze de handen weer maar nu niet dreigend en dwingend maar sturend en steunend.
Ze wordt overvallen door vermoeidheid en een groot gevoel van verdriet. Ze begint onbedaarlijk te huilen.
De stem begint weer tegen haar te praten. “Goed zo. Toe maar, gooi het er maar uit. Het is ook niet niks zo’n psychose. God mag weten wat voor demonen jij bent tegen gekomen de afgelopen uren.”

Mijke zakt opnieuw weg maar dit keer wacht haar niet de eindeloze afgrond van duisternis maar de stille kalmte van een diepe slaap.