woensdag 16 december 2020

Vervelen

 

Ik slenter wat over straat. Ik schop wat tegen een roestig blikje. Om mij heen klinkt het gekras van de vele roeken die in de bomen langs het pad hun nesten hebben terwijl in mijn hoofd mijn gedachten alle kanten op gaan. Het is al dagen een puinhoop in mijn hoofd. Allerlei gedachten buitelen over elkaar heen. Goede en slechte, reële en irreële, sommige waar en sommige pure fantasie. Het onderscheid tussen wat echt is en wat niet vervaagd steeds verder.

Een gevoel van lamlendigheid overvalt me. Vragen komen in me op. Wat doe ik hier? Wat heeft het voor zin? Heeft überhaupt iets zin? Moet ik niet wat doen?  Ik maak me groot en schreeuw uit: ”Wat moet ik doen? Wat kan ik doen? Ik verveel me!”.

Verschrikt vliegen de roeken op. Hun boze gekras brengt een herinnering bij me boven.

 

verveling

Ik zal een jaar of tien zijn geweest dat mijn broers en ik ons enorm verveelden. Het zal in een vakantie zijn geweest want we waren alle vier thuis en zaten ons zelf en elkaar danig in de weg. Onze moeder werd compleet tureluurs van ons geruzie, gevecht en gezeur. Ik weet nog dat ze op een gegeven moment uit riep: “Wegwezen! Jullie allemaal. Het kan me niet schelen wat jullie gaan doen. Van mijn part gaan jullie op het Damrak fietsen met gouden sturen jatten! Wegwezen nu!” Nu wisten we zeker, het is menens. En dus gingen we.

 

Eerst naar het pleintje bij de flats. Lekker balletje trappen. Maar al snel werden we weggestuurd omdat mensen bang waren dat we in onze onbesuisdheid hun auto’s zouden beschadigen.

Toen naar het schoolpleintje een paar straten verder op. Daar werden we weggestuurd door de politie omdat een paar eikels ’s avonds fikkie stookten en dus het hele plein verboden was gemaakt. Door naar het trapveldje maar dat lag vol gebroken flessen.

We hadden ondertussen flink de smoor in dat we nergens konden spelen. Het speeltuintje waren we veel te groot voor en zat sowieso vol met ukkies. Het basketbalveldje was altijd bezet door grote jongens. Nergens was er plek voor ons. En moeder was heel duidelijk geweest. We mochten met etenstijd pas weer thuis komen.

 

Het zal mijn oudste broer zijn geweest die met het plan kwam naar het grote park te gaan. Eigenlijk mochten we daar niet komen zonder vader of moeder, want volgens hun “gebeurden er dingen die het daglicht niet konden verdragen” maar va en moe die waren er nou niet en we moesten toch ergens heen.

 

In het park

Daar gingen we met z’n vieren. Naar het grote park. Eerst de grote weg aflopen. Dan bij de stoplichten oversteken. Nog een keertje links af slaan en dan de stalen hekken door.

 

Vooraan was een met bosschage omringd grasveldje, waar we met va en moe wat balden  maar zelf vonden we dit net wat te klein om lekker te voetballen. We wisten dat er achter de parkvijver een wat groter veld was. Daar gingen we naar toe. We deelden ons op in twee teams. Ik, de jongste speelde met onze oudste broer en de twee anderen vormden de tegenstander. We deden onze shirts uit om de doelen mee te markeren en begonnen eindelijk aan ons potje voetbal.

 

We zijn alle vier zeer fanatiek en kunnen slecht tegen ons verlies. Het vriendschappelijke potje mondde dus al snel uit in een felle strijd. Tijdens een woordenwisseling over een vermeende overtreding werd een van ons zo boos over het vermeende onrecht dat hij de bal wild wegtrapte. Zo de bossen in. Natuurlijk zo ver dat we de bal niet zagen liggen en er niks anders op zat dan allemaal tussen de bomen gaan zoeken.

 

 

De roeken

 

Het zoeken duurde lang. Het was donker onder de bomen en er was een wildgroei aan  bosjes en struiken. Alles stond zo dicht op elkaar dat het erg moeilijk was te zien of er misschien een voetbal lag.

Plots klonk er een gil en vlogen er overal roeken krassend weg. De gil was onmiskenbaar van een van mijn broers. Ik holde meteen in de richting van het geluid. Terwijl het geluid van de roeken verstomde hoorde ik mijn oudste broer roepen. AL gauw kwamen we samen bij een soort open plek waar een van mijn broers tegenover een groepje van jongemannen stond. Deze jongemannen hadden overduidelijk weinig goeds in de zin. Ze stonden met geheven vuisten en een enkeling had zelfs een mes in handen. Ik keek even naar mijn andere broers. Deze knikten allebei en toen stapten we op de groep af.

Graag had ik verteld dat het gevecht episch was, maar dat zou gelogen zijn. Het was gewoon een zeer stevige knokpartij. Zo één waar geen eind aan lijkt te komen. We sloegen en we schopten. Net zo lang tot geen tegenstander meer stond. Het was een grote roes met als beloning de grootste kik die we ooit hadden gehad.

Na deze keer volgden er meer matpartijen. Vooral als we ons verveelden zochten we groepen rondhangende jongens op. Die waren altijd zo snel opgefokt dat het gegarandeerd knokken werd.

 

Nu ik de roeken weer hoor krassen besef ik dat het al weer een tijdje geleden is dat we een leuk verzetje hebben gehad. Ik kijk eens om me heen, spot een groepje hangjongeren, maak een foto met mijn telefoon, zet ‘m in de groepsapp en typ: “Ik verveel me.”

 

Vervelen = 1) Ergeren 2) Klieren 3) Lastig worden 4) Nergens zin in hebben 5) Niet boeien 6) Tegenstaan 7) Zich niet weten te vermaken.

 

#WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verzint Ali een woord waar je over kunt schrijven (bloggen, vloggen of ploggen). Niets moet, alles mag. Je kunt op ieder moment instappen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

vrijdag 21 februari 2020

In gevecht


Mijke voelt de handen nog voor ze ziet aankomen. Ze pakken haar stevig vast. Paniek laait in haar op. Ze schreeuwt. “laat me los! Laat me los. Ik wil hier weg. Laat me gaan!”
Haar schreeuwen heeft geen effect. De handen laten haar niet los. Mijke probeert zich los te wurmen. Ze draait, ze schopt, ze probeert te slaan, maar niets heeft effect. In de verte hoort ze een stem die haar probeert te bereiken maar ze verzet zich hevig tegen de woorden vol vergif.
Ze probeert bij bewustzijn te blijven maar voelt dat ze de strijd begint te verliezen. Langzaam zakt ze weg in de duistere afgrond die haar gretig opslokt.


Wanneer Mijke wakker wordt heeft ze een onheilspellend gevoel. Het voelt alsof ze in een groot gevaar is. Ze probeert overeind te komen maar merkt dat haar armen vastgebonden zitten aan het bed waar ze op ligt. ze heeft het gevoel dat ze wordt bekeken. Voorzichtig draait ze haar hoofd en kijkt recht in een paar vuurspugende ogen. Ze begint te gillen.
Al snel hoort ze een deur open gaan. In de verte hoort ze de stem die haar op zachte toon tot rust maant. Dan voelt ze de handen weer. Dit keer komt de duisternis hard en snel.


Het is gelukt! Na heel lang observeren en proberen is het Mijke gelukt te ontsnappen. Ze rent en rent. Ze rent langs bomen, een rivier, bospaden en snelwegen. Maar hoe hard ze ook rent, waar ze ook allemaal langs komt ze heeft het gevoel dat ze geen stap van het gevaar vandaan komt.
Ze blijft de hete adem in haar nek voelen. De vuurspugende ogen blijven naar haar loeren en ze blijft de druk van de handen voelen. Ze rent en rent, maar de duisternis weet haar toch weer te achterhalen.


Moe is ze. Moe van het vechten, van het wegrennen en van het steeds opnieuw wegzakken in duisternis. Langzamerhand verzet Mijke zich steeds minder tegen de zachte stem in de verte. De afstand tussen haar en de stem wordt kleiner. Ze hoort de stem zeggen dat ze veilig is, dat ze niet bang hoeft te zijn en ze gelooft dat het waar is.


Mijke doet haar ogen open en ziet dat ze in een kille, kale kamer ligt. Ze voelt ze de handen weer maar nu niet dreigend en dwingend maar sturend en steunend.
Ze wordt overvallen door vermoeidheid en een groot gevoel van verdriet. Ze begint onbedaarlijk te huilen.
De stem begint weer tegen haar te praten. “Goed zo. Toe maar, gooi het er maar uit. Het is ook niet niks zo’n psychose. God mag weten wat voor demonen jij bent tegen gekomen de afgelopen uren.”

Mijke zakt opnieuw weg maar dit keer wacht haar niet de eindeloze afgrond van duisternis maar de stille kalmte van een diepe slaap.







maandag 3 februari 2020

uit het keurslijf


Kwaad smijt Sophie de deur achter zich dicht. Stampvoetend loopt ze naar buiten. Pisnijdig is ze. Wat denken ze wel niet van haar? Waar halen ze het lef vandaan haar te vragen of ze een braaf meisje gaat zijn volgend jaar. Alsof ze al jaren een van god losgeslagen nymfomane is!

Geagiteerd loopt ze naar de kade. Ze ijsbeert langs het water. Haar hele lijf trilt van de woede die ze voelt. Ze heeft het helemaal gehad met dat gezeik. Ze is er klaar mee, in een keurslijf gepropt worden maar nog niet aan de immens hoge standaard voldoen. Bah, bah en nog eens bah!


In haar wordt iets wakker. Iets wat ze al twintig jaar in slaap sust. Iets waar Sophie al heel lang bang voor is. Haar onvoorspelbare kant. Haar rebelse kant. Haar opstandigheid. Haar drang zich door niets en niemand de wet te laten voorschrijven.

Haar rebelse kant glimlacht. Het voelt haar ontevredenheid, haar woede en haar gevoel van onrechtvaardigheid. Het is zover.
Eindelijk komt er weer ruimte voor rebellie. Voor onvervalst losgaan. Van spijt na onverantwoorde pret. Voor katers en onverklaarbare spierpijn. Het is de hoogste tijd voor totale anarchie!


Er begint zich een plan te vormen in Sophies hoofd. Het kriebelt en het wringt. Verontrust voelt ze dat het plannetje haar doodsbang en tegelijkertijd wild enthousiast maakt. Zou ze dit echt durven? Zou ze dit echt kunnen? Wat zouden ze wel niet van haar vinden?

Er gaat een schok door haar heen. Ze doet het weer! Weer houdt ze zich bezig met wat een ander er van zou kunnen vinden. Ze klemt haar kaken op elkaar. Een vastberaden blik verschijnt in haar ogen. Haar keus is gemaakt.

Al lopen de rillingen over haar lijf bij de gedachte. Al versnelt haar ademhaling al bij alleen de gedachte. Al weet ze niet of het echt wel kan. Ze gaat het doen.

Laat ze allemaal maar het rambam krijgen met hun keurslijven en brave-meisjes-geleuter. Laat ze zelf maar keurig netjes zijn. Laat ze zelf maar braaf oppassen en niet dronken worden en voorzichtig zijn en goed uitkijken. Zij gaat het niet meer doen. Zij stapt uit het keurslijf. Uit het verwachtingspatroon. Uit het harnas van fatsoen.


Sophie haalt diep adem en doet een grote stap naar voren. Heel even voelt ze de ultieme vrijheid. Dan omsluit het water haar en wordt alles stil.