donderdag 11 april 2013

De Wraakengel


Met stevige passen loop ik over de witte vlakte. De verse sneeuw knerpt onder mijn snowboots. Hoewel het een hele uitgave was ben ik blij dat ik ze niet heb laten staan. Nu kan ik ondanks de hevige sneeuwval van de afgelopen dagen gewoon mijn dagelijkse wandeling maken.
Een wandeling over het uitgestrekte terrein van de instelling is een vast onderdeel van mijn dagritme. Het is mijn enige kans even helemaal alleen te zijn. De enige mogelijkheid me vrij en onbespied te wanen. Het enige moment waarop ik mezelf kan zijn. De rest van de dag speel ik mijn rol. De rol van het  timide, door het leven beschadigde en gekwelde  meisje. Ik speel mijn rol goed. Niemand vermoedt dat ik helemaal geen meelijwekkend kind ben. Dat ik volledige controle heb over mijzelf en mijn leven.
De haren in mijn nek waarschuwen me dat ik bekeken word. Ik voel meer dan dat ik weet dat het zo is. Ik bedwing mijn neiging om te kijken. Ik moet in mijn rol blijven tot  ik uit zicht ben. Zodra ik tussen de bomen ben, stap ik het pad af  de bosschage in. Niemand kan me nu nog zien, weet ik uit eerdere ervaringen. Ik kan dus rustig kijken wie er zoveel interesse in me heeft.
Er staan twee vrouwen in verpleegsterskleding te roken op het terras. De een staat te praten terwijl de ander haar blik in de rondte laat dwalen. Ik focus en zie dat degene die rondkijkt Vanessa is. Plots kijkt  ze recht naar de bosschage waar ik sta. Er vliegt een kleur op mijn gezicht. Ik voel me betrapt en wil wegrennen. Dan bedenk ik me dat ze me helemaal niet het kan zien en voel opluchting door mijn lijf trekken. Het leidt geen twijfel dat dit degene is die mij net in de gaten hield. En het verbaast me niet. Hoewel ze het probeert te verbergen heb ik al vaker gemerkt dat Vanessa een ongezonde interesse in mij heeft. Ik voel een onaangenaam gevoel opkomen. Ze zal het toch niet weten?
Ik steek mijn handen in mijn zakken. Daar vinden ze de steentjes die ik tijdens mijn wandelingen heb verzameld. Mijn vingers omklemmen de steentjes, voelen hun ruwheid, hun kilte en langzaam voel ik dat ik de onrust die me net overviel de baas word.
Voorzichtig verlaat ik de bosschage en vervolg mijn weg. Ik loop stevig door. De cadans van mijn pas werkt hypnotiserend en brengt mij in trance. Het helpt me na te denken over de vrouw op het terras. Vanessa’s belangstelling voor mij is erg onprettig maar niet verontrustend. Het is zelfs goed te verklaren. Vanessa is meerdere keren mee geweest als ik bij mijn vader op bezoek ga in het verzorgingshuis. Ze is ook de verpleegkundige die sinds een paar weken mijn wonden en littekens verzorgt. Wat was ze geschrokken toen ze de eerste keer mijn lijf zag. Professioneel als ze was had ze haar walging proberen te verbergen, maar ik had het gezien en er van genoten. Ik vond het heerlijk dat mijn lijf zoveel afkeer opriep. De littekens waren een onverwacht bijkomend voordeel van het gebeurde.

Een koude rilling haalt me uit mijn overpeinzingen. In de lucht pakken loodgrijze wolken met de belofte van meer sneeuw zich samen. Ik verhoog mijn tempo. Ik voel er weinig voor om tijdens een flinke sneeuwbui nog buiten te lopen. Ik haast me over het smalle, dichtbegroeide paadje. In mijn haast voor de bui binnen te zijn let ik even niet goed op en een tak zwiept in mijn gezicht. De tik komt zo hard aan dat ik val. Geschrokken blijf ik met gesloten ogen even liggen. Wanneer ik mijn ogen open zie ik druppels bloed neerkomen. Gefascineerd kijk ik hoe de bloedrode druppels afsteken bij het intens witte van de sneeuw. Er komt een herinnering in me op. Ik heb dit contrast al eens eerder gezien. Ook toen fascineerde de tegenstelling tussen de warme bloedrode spetters en de koude witte sneeuw me. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden. Ik was er zo door geobsedeerd dat ik helemaal vergat mijzelf in veiligheid te brengen.

De magie van het moment wordt doorbroken door een stem die mijn naam roept. Ik herken de stem als die van Vanessa. Wat doet zij hier in het bos? Is ze me gevolgd? Na een kleine aarzeling roep ik terug: ”Hier! Hier ben ik!” En al snel hoor ik haar rennende voetstappen. Licht hijgend blijft ze bij me staan. Dan pas merk ik dat ik nog steeds in de sneeuw zit. Ik krabbel overeind en stamel: ”Ik was gevallen en nu bloed ik.” Vanessa rommelt in haar zakken en haalt er een pakje tissues uit. “Houd er maar eentje tegen de wond. Wanneer  we in het tehuis zijn zal ik kijken wat we er aan kunnen doen. Maar we moeten nu echt naar het tehuis.” Ik kijk haar aan en bedenk me dat ik nog steeds niet weet waarom ze me achtervolgd is. Alsof  ze mijn gedachten kan lezen zegt ze: “Er heeft iemand van het verzorgingshuis waar je vader ligt, gebeld. Het was dringend dus heb ik besloten je achterna te lopen.”
Allerlei gedachten schoten door mijn hoofd. Waarom was er gebeld? Gaat het over mijn achttiende verjaardag die binnenkort is? Was er iets in zijn toestand veranderd misschien? Hij zal toch niet zijn overleden? O alsjeblieft, laat hem niet zijn overleden. Dat verdient hij nog niet. Dat zou alles in de war schoppen.

Zwijgend lopen we door het bos terug naar het tehuis. Het is weer gaan sneeuwen en langzaam verdwijnen de voetstappen die ik heb achtergelaten onder een dun  laagje. Over al mijn sporen wordt een witte deken gelegd. Moeder Natuurs eigen mantel der liefde. Net als mama dat altijd deed met de gevolgen van vaders beslissing. Maar ik ben minder vergevingsgezind. Hij moet boete doen voor dat wat hij heeft veroorzaakt. Zijn straf is bijna compleet. Nog drie dagen. Dan  zal mijn wraak compleet zijn. Als hij er maar niet voor die tijd tussen uitknijpt.
Ik voel paniek opkomen. Ik steek mijn handen diep in mijn zakken. Daar vinden ze de geruststellende koelte van de steentjes. Mijn gedachten gaan terug naar die fijne dag, vandaag precies twee jaar geleden. Mijn moeder was een paar weken eerder overleden na een lijdensweg van twee jaar en drie dagen. En al die tijd was ik getuige van haar pijn en verdriet. Al direct na de diagnose had moeder aangegeven niet verder te willen leven. Ze zag euthanasie als enige optie. Maar vader was faliekant tegen. Ze mocht niet zomaar sterven. Ze behoorde hem toe en mocht hem niet in de steek laten. En ik kon toekijken hoe mijn moeder  wegteerde. Hoe de ziekte haar haar menselijkheid ontnam. Hoe mijn moeder de strijd al had verloren voor ze er aan kon beginnen.
Na haar dood raakte ik er meer en meer van overtuigd dat mijn vader moest boeten voor wat hij haar had aangedaan. En op een dag als deze sloeg ik hem bij het kampvuur wat hij gemaakt had in het bos, zijn hersens in met een grote tak. Grote druppels rood vielen in de sneeuw. Ik was zo gebiologeerd door dat contrast dat ik  niet zag dat mijn vader met een hand in het kampvuur was gevallen. Pas toen de gasaansteker die hij vast had explodeerde en ik zelf vlam vatte, kon ik mijn blik losrukken van dat prachtige schouwspel.
In het brandwondencentrum kwam er een ernstig kijkende vrouw aan mijn bed. Het speet haar heel erg dat ze me moest vertellen dat mijn vader in zorgwekkende toestand op de I.C. lag. Even was ik hevig teleurgesteld dat hij niet dood was. Maar toen vertelde ze me dat hij, hoewel hij in een diepe coma lag, volop hersenactiviteit had en naar alle waarschijnlijkheid ondraaglijk leed. Het leek de artsen beter alle ondersteunende apparatuur uit te schakelen.
Wat een buitenkans! Nu had ik alle macht in handen. Nu mocht ik beslissen over leven en dood, over lijden en verlossen. En meteen wist ik dat hij moest lijden. Net zo lang als hij mijn moeder had laten lijden. Ik vertelde de ernstig kijkende vrouw dus dat mijn vader pertinent tegen elke manier van levensbeëindiging was en dat ik dus geen toestemming kon geven de apparatuur uit te schakelen.
Over drie dagen was het zover. Dan zaten zijn twee jaar en drie dagen erop. Ik zal zijn artsen eindelijk de door hun zo gewilde toestemming geven. Ik zal genadevol zijn hand vast houden en hem zijn gruweldaad vergeven zodat hij vredig kan sterven.

Een scherpe pijn haalt mij ruw terug naar het hier en nu. De pijn trekt mijn hele lijf door en laat me stuiptrekken. Nee! Nee! Niet nu. Niet zo vlak voor de voltooiing van mijn wraak! Een wanhoopskreet ontsnapt me en dan val ik neer.

Tevreden kijkt Vanessa naar mijn doodsstrijd. Ze steekt haar hand met de injectienaald in haar zak en loopt door de sneeuw naar tehuis. Ze heeft haar goede werk weer verricht. Het is tijd om verder te trekken en een nieuwe goede zaak te vinden. Een ander arm kind verlossen van het lijden en het verdriet van een oneerlijk leven.

maandag 4 februari 2013

Het Dressoir


Met een diepe zucht zet ze de mand met wasgoed neer. Het is mooi weer om de was buiten te hangen maar het valt haar steeds zwaarder de  volgeladen mand naar buiten te tillen. Ze begint steeds meer last te krijgen van de slopende ziekte die ze onder de leden heeft. Ze gaat even zitten om weer een beetje op krachten te komen. Het lentezonnetje schijnt op haar gezicht. In de tuin wippen wat musjes rond op zoek naar materiaal voor hun nestjes. De kans is groot dat ze dit jaar hun jongen niet meer zal zien uitvliegen. Ze voelt hoe er een traan over haar gezicht rolt, geërgerd veegt ze hem weg. Geen tranen! Wat er ook zal gebeuren, ze zal geen traan laten.
Ze denkt terug aan die dag in oktober dat ze voor de uitslag van wat onderzoeken naar het ziekenhuis moest. Het moment dat de assistente haar naam noemde wist ze al wat haar te wachten stond. Het ernstige gezicht van de arts versterkte haar vermoeden. En toen die woorden.
  ”Het spijt me mevrouw, we kunnen niets meer voor U doen.” Geschrokken was ze allerminst. Ze had altijd al geweten dat ze ooit eens gestraft zou worden voor wat ze had gedaan en die tijd was nu gekomen. Onbewogen had ze de arts gevraagd hoelang  ze nog had. Het was niet veel meer, hooguit nog een paar maanden, maar voor haar meer dan genoeg. De tijd was gekomen om te doen wat juist was.
Hѐ verdorie, nu rolt er al weer een traan over haar wang. Nijdig veegt ze hem weg. Ze snuift een keer en haalt dan diep adem. Ze weet dat  hetgeen ze moet doen onvermijdelijk is geworden. Uitstel is geen optie meer, dit is haar laatste kans om haar daden op te biechten en het meisje te geven waar ze recht op heeft. Ze loopt naar het dressoir en pakt twee velletjes van haar mooiste briefpapier. Ze had het briefpapier van het meisje gekregen omdat ze vond dat het zo mooi paste bij haar mooie handschrift. Maar nu is er nog weinig moois aan haar handschrift, daarvoor trillen haar handen veel te veel. Beverig schrijft ze haar boodschap en stopt de velletjes papier in twee enveloppen. Dan doet ze haar ketting  af en laat deze in een van de enveloppen glijden. Het is geen bijzondere ketting. De waarde ervan is nihil, maar aan deze ketting hangt een sleutel. Ze weet dat deze sleutel voor het meisje heel waardevol zal zijn. Het is de sleutel tot het enige deurtje wat altijd op slot heeft gezeten. Het is de sleutel die toegang geeft tot alles wat ze twintig jaar geheim heeft gehouden. Deze sleutel zal het leven van het meisje voor altijd veranderen.
In gedachten ziet ze de inhoud van het dressoir voor zich. Ondanks dat het dressoir al twintig jaar op slot zit, weet ze precies wat er in zit. Alle herinneringen zitten er keurig achter slot en grendel opgeborgen . Maar niet lang meer. Nog even en dan zal het meisje haar herinneringen tot zich nemen. Dan zullen ze niet meer van haar zijn maar hun eigen leven gaan leiden. Ze zullen haar verhaal vertellen. Het verhaal wat ze zo lang verborgen heeft weten te houden.

Ze stapt het huis binnen. Terwijl ze haar jas uitdoet wil ze een groet roepen, maar deze blijft in haar keel steken. Er is niemand meer om te begroeten. Ze kijkt om zich heen en ziet alle vertrouwde spullen staan. De stoel bij het raam. De bank waar de visite altijd op plaats mocht nemen. De eethoek voor de openslaande deuren. Alles is nog precies hetzelfde als voor de dood van haar moeder. En tegelijkertijd is alles anders. Het lijkt killer en minder gezellig. Het is net alsof het huis na het verscheiden van zijn eigenaar in de rouw is. Nee, alsof het zelf ook zijn ziel is verloren. Het huis is levenloos geworden. Het doet haar verdriet. Niet alleen is ze haar moeder kwijt, ze is ook het thuisgevoel verloren wat ze hier altijd heeft gehad. Er rolt een traan over haar wang. Geërgerd veegt ze hem weg.
Ze gaat zitten aan de tafel en haalt uit haar tas een envelop. In deze envelop zit een velletje van het mooie briefpapier van haar moeder, het briefpapier wat ze haar zelf lang geleden eens had gegeven. Ze ziet het haar zo bekende handschrift en slikt eens stevig. Haar moeder had een prachtig handschrift, klein, sierlijk, elegant en perfect gestileerd. Het was precies zoals haar moeder zelf. Als klein meisje had ze hard geprobeerd net zo te zijn. Maar waar haar moeder verfijnd en petit was, was zij zelf groot en atletisch. Ze was best gracieus, maar qua elegantie kon ze niet aan haar moeder tippen. Ze glimlacht om de herinnering. Wat waren ze toch verschillend, het kleine donkere vrouwtje en haar lange blonde dochter.
 Ze leest het briefje nog een keer door al staan de woorden al lang in haar geheugen gegrift.
 “Lief meisje”, staat er,”eindelijk mag het dressoir van het slot. Oordeel niet te hard over me. Ik heb altijd gehandeld uit liefde.” Ze schudt de sleutel uit de envelop en loopt er mee naar het dressoir. Voor het dressoit blijft ze aarzelend staan. Ze weet nog hoe ze als klein meisje geïntrigeerd was door het meubel omdat het het enige was in huis wat op slot zat. Ze had haar moeder meerdere keren gevraagd wat er toch in zat. Het antwoord was altijd hetzelfde geweest.

“Daarin zit mijn leven, meisje. Al mijn herinneringen, al mijn daden zitten daar veilig opgeborgen. Als dat dressoir van het slot gaat zullen ze niet meer van mij zijn en zal mijn leven nooit meer hetzelfde zijn.” En dat was alles wat ze er over zei. Ze kon doorvragen, ze kon zeuren, ze kon drammen, haar moeder weigerde er verder over te spreken. Maar nu staat ze hier met de sleutel in haar handen. Nu zal ze eindelijk weten wat zo belangrijk was dat het achter slot en grendel moest worden bewaard.


Ze zit aan tafel en staart naar de twee enveloppen. Ze vraagt zich af hoe het meisje zal reageren. Al zolang wil ze weten wat er in het dressoir zit en straks is het dan eindelijk zo ver. Ze hoopt dat het meisje haar niet al te zwaar zal veroordelen maar zal snappen dat ze niet anders kon. Dan denkt ze aan de man aan wie ze de andere brief heeft geschreven. Het is de enige man waar ze ooit van had gehouden. Smoorverliefd was ze geweest vanaf het moment dat ze hem had gezien. Niet alleen was het de knapste man die ze ooit had gezien, lang, blond en atletisch, maar het was ook een fantastische vader. Dat had ze vaak genoeg gezien als ze hem van een afstand observeerde.
Slechts één keer had ze hem mogen ontmoeten. En het maakte al haar dromen waar. Hij was vriendelijk, aandachtig en charmant. Honderden brieven had ze hem na die tijd geschreven. Eerst had hij ze nog beantwoord maar hoe meer zij hem probeerde te overtuigen van haar liefde voor hem hoe afstandelijker zijn brieven waren geworden. Nog eens tientallen brieven later kreeg ze het dringende verzoek geen contact meer op te nemen.
 Nog nooit had ze zich zo vernederd en afgewezen gevoeld.  Ze nam een wanhopig besluit. Ze zou verdwijnen uit zijn leven, maar niet zij alleen. Ze zou het kind meenemen, zijn oogappeltje, zijn dochter. Zo zou  ze altijd een deel van hem dicht bij haar hebben. Het zou hen voor altijd met elkaar verbinden. Elk jaar had ze hem een brief gestuurd over het meisje met een recente foto. Dit was de laatste. En in deze vertelde ze hem eindelijk wat hij het allerliefst wil weten, de verblijfplaats van zijn kind.

Voorzichtig steekt ze de sleutel in het slot. Het kost wat moeite de sleutel te draaien. Niet vreemd als je bedenkt hoe lang het slot niet gebruikt is. Verwachtingsvol houdt ze haar adem in als ze het deurtje open voelt gaan. Even kijkt ze wat bevreemd als ze de inhoud ziet. Ze weet niet precies wat ze verwacht had maar misschien toch wel iets meer dan het vergeelde plakboek wat ze ziet liggen. Voorzichtig pakt ze het op  en neemt het mee naar de tafel. Als ze het opent ziet ze een foto van een man. Ondanks dat ze hem niet kent ziet hij er erg bekend uit. En dan beseft ze met een schok dat haar spiegelbeeld sprekend op deze man lijkt. Met bevende handen bladert ze het plakboek door. Het zit vol met krantenknipsels, foto’s die van afstand zijn genomen en getypte standaardantwoordbrieven. Ze is in de war. Als dit haar vader is, waarom moest dat dan zo lang geheim blijven? Ze besluit het plakboek terug te leggen in het dressoir en er een andere keer wat aandachtiger naar te kijken. Terwijl ze het plakboek oppakt valt er  een krantenknipsel uit. Er staat in een schreeuwerig lettertype een kop boven “Nieuw drama voor filmster!“ Eronder staat een foto van de man met een klein meisje in zijn armen en een vrolijk lachende blonde vrouw trots naast hen.
Er staat een onderschrift onder, “vier maanden na de ontvoering van hun dochter pleegt vrouw zelfmoord”  Ontstelt leest ze de twee zinnen nog een keer door en dan dringt het tot haar door.


.

woensdag 30 januari 2013

Mijn Droomkind


Haar grote, blauwe ogen stonden vol met tranen, doch, haar gezicht gaf geen emotie. Een traan vond de vrijheid op haar ronde, rode wang, zonder dat zij deze droogde. Ze keek stoïcijns voor zich uit, het kunnen minuten geweest zijn maar ook uren; enig tijdsbesef was zij volledig kwijt.
Langzaam wendde zij zich van het natgeregende raam af en haar ogen dwaalden af op haar handen. Die schaar …

Met een schok word ik wakker. Ik voel paniek en angst. Waarom ben ik juist nu wakker geworden. Ik wil weten wat ze met die schaar wil. Ik wil weten wat mijn meisje gaat doen. En vooral wil ik weten waarom ze zo verdrietig is.

Ik ken het meisje al heel lang. Al tien jaar bezoekt ze mij in mijn dromen. De eerste keer dat ik over haar droomde leek ze mij te observeren. En hoewel ik mij nooit mijn dromen kan herinneren kon ik overdag zonder moeite haar gezichtje voor de geest halen.
De volgende droom waar ze in opdook viel mij op dat haar gezicht bekende trekken had. Ze deed me aan iemand denken zonder dat ik wist aan wie. Maar voor ik haar kon vragen of ik haar kende, rende ze weg. Terwijl ik haar na keek zag ik haar petticoat dansen op de maat van haar huppelende pas.
Het duurde enkele weken voor ik haar weer in een droom zag. Die keer lukte het me wel om mijn vraag te stellen. Ze schudde met haar hoofd waardoor haar vlechten heen en weer zwiepten. Ondanks dat ze niks zei voelde ik een antwoord in mij. Nee, je kent mij niet maar ik hoop dat je me wel wil leren kennen. Een uitleg kreeg ik niet want het meisje verdween weer even plotseling uit mijn droom als ze er in verscheen.
Vanaf die keer verscheen ze heel geregeld in mijn dromen. Soms als toeschouwer, maar steeds vaker als metgezel. We zweefden samen door de wolken. We struinden samen langs de zee. We lagen naast elkaar in het gras naar de hemel te staren. Ik begon haar gezelschap echt te waarderen. Meestal brachten we de nachten in stilte door. We hadden maar weinig woorden nodig. Het gewoon samenzijn was voldoende. Tot een paar maanden geleden.

We waren aan het picknicken op de oever van een rivier. Ik reikte haar net een boterham met hagelslag aan toen ik de inmiddels vertrouwde stem in mijn hoofd hoorde. Wil je binnenkort mijn moeder worden? Ik ben al een tijdje op zoek en het liefst wil ik bij jou geboren worden. Met stomheid geslagen keek ik haar aan. Ik moeder worden? Het was niet zo dat ik pertinent niet wilde, maar het was meer iets wat ik altijd vooruit schoof naar een verre toekomst. De ene keer was ik er niet aan toe, de andere keer was mijn relatie niet stabiel genoeg en op het moment had ik een relatie met een man die zelf nog een groot kind leek. Die zou waarschijnlijk bij enkel de gedachte aan eventueel vaderschap op de vlucht slaan. En toch, als ik dan toch een kind zo dragen en baren dan heel graag dit meisje. Het leek me fantastisch om haar moeder te zijn. En dus stemde ik toe. ”Maar,” zei ik, “dan moet ik wel eerst wat dingen regelen. Geef me wat tijd.” Enthousiast knikte het meisje.

De volgende dag al vertelde ik mijn partner dat ik in de nabije toekomst zwanger zou willen worden en dat hij wat mij betreft drie maanden bedenktijd had om te beslissen of hij de vader zou willen zijn. Tot mijn grote verbazing begon hij breeduit te grijnzen. Hij bleek al langer een kinderwens te hebben maar verkeerde in de veronderstelling dat ik daar nog niet aan toe was. We konden ons geluk dan ook niet op toen ik al snel zwanger was.

Het is nu zes weken later. Mijn buikje begint net aan zichtbaar te worden. Vorige week zijn we voor het eerst bij de verloskundige geweest en hebben we het kleine meisje in mijn buik gezien. Want dat het een meisje is weet ik wel zeker.

De droom waar ik vanochtend uit wakker ben geworden speelt al de hele dag door mijn hoofd. Het verdriet van mijn meisje maakt me ongerust. Om mezelf af te leiden besluit ik de kelder eens grondig op te ruimen. Terwijl ik een krat bier op pak voel ik plots een stekende pijn onder in mijn buik. In paniek ren ik naar boven en pak de telefoon. Ik bel meteen oom Jacques. Oom Jacques is gynaecoloog en weet vast wel of dit vals alarm is. Ik krijg hem direct aan de lijn en vertel hem over de pijn. Hoewel hij het wel probeert, kan oom Jacques me niet gerust stellen. Hij stelt voor dat ik naar de polikliniek kom voor een echo.

Een kwartier later al blader ik in de wachtkamer door een oude Donald Duck. Mijn gedachten schieten alle kanten op. Ik doe meerdere schietgebedjes dat alles goed mag zijn met ons kindje.
De echo is gelukkig goed. Het hartje klopt en de baby beweegt levendig. Door tranen van geluk lig ik naar het beeldscherm te kijken. Het lijkt alsof de baby langzaam naar me zwaait. Ik glimlach opgelucht.
Oom Jacques vermoedt dat ik mijn lijf wat overbelast heb en adviseert me de komende dagen mezelf wat meer rust te gunnen. Zodra ik thuis ben ga ik dan ook even liggen. Ik ben moe van alle emoties en val als snel in slaap.

Haar grote, blauwe ogen stonden vol met tranen, doch, haar gezicht gaf geen emotie. Een traan vond de vrijheid op haar ronde, rode wang, zonder dat zij deze droogde. Ze keek stoïcijns voor zich uit, het kunnen minuten geweest zijn maar ook uren; enig tijdsbesef was zij volledig kwijt.
Langzaam wendde zij zich van het natgeregende raam af en haar ogen dwaalden af op haar handen. Die schaar …Nog even lijkt ze te twijfelen en dan knipt ze resoluut het bungelende koord door.
Haar betraande ogen kijken mij aan en ik hoor haar stem. ”Dag lieve mama. Dankjewel dat ik zo welkom was.”

Met een schok word ik wakker en voel haar leven uit mij wegstromen.


Dit verhaal is geschreven aan de hand van een schrijfopdracht van 'Boek voor haar'. De cursieve tekst waarmee dit verhaal begint was het gegeven startpunt.Verder moesten de woorden hagelslag, petticoat, oom Jacques, Donald Duck en krat bier gebruikt worden.