maandag 2 juni 2014

Nieuwe Maan

De nacht dat ik geboren werd was het duister. Er was geen enkel licht want het was nieuwe maan. Mijn ouders zagen het als een teken aan de wand. Ze hadden zitten zinnen op een betekenisvolle naam maar hadden geen definitieve keus kunnen maken. Toen ze de maanloze hemel zagen wisten ze op slag wat mijn naam moest zijn, Luna. Met de keuze voor die naam werd mijn lot bezegeld.

Hoewel het al even geleden is, herinner ik het mij als de dag van gisteren. Het was de eerste nieuwe maan na mijn vijftiende verjaardag toen hij voor het eerst tegen mij sprak.
Ik zat op mijn kamer huiswerk te maken. Omdat mijn broertje er nogal een handje van had ’s avonds zijn muziek hard te zetten had ik een koptelefoon op waar mijn eigen favoriete muziek uitklonk zodat ik mij goed kon concentreren. Gedachteloos zong ik de teksten mee terwijl ik ondertussen een hoofdstuk aardrijkskunde probeerde te lezen. Plots schrok ik op. Het leek wel of iemand mij riep. Snel deed ik mijn koptelefoon af en luisterde of mijn moeder mij riep. Het bleef stil. Waarschijnlijk had ik me het verbeeld. Ik probeerde me weer in mijn aardrijkskundeboek te verdiepen maar het lukte niet meer me te concentreren. Dan maar gaan slapen.
Ik ruimde mijn schoolboeken op en liep naar de badkamer. Plots hoorde ik het weer. Een stem die mijn naam noemde. Het was duidelijk niet mijn moeder. Haar stem hoorde ik van beneden komen en deze stem had geklonken alsof hij van iemand kwam die vlak achter me stond. Schichtig keek ik om me heen maar ik zag niemand. Het viel me op dat het voor de rest op de bovenverdieping helemaal stil was. Er kwam zelfs geen enkel geluid van mijn broertjes kamer. Dat was raar. Hij had altijd zijn radio aan staan. Zelfs als ik midden in de nacht nar de badkamer liep hoorde ik muziek uit zijn kamer komen. Hij zou toch geen geintje met mij uithalen?
Zachtjes liep ik naar zijn kamerdeur. Ik stond even stil en luisterde aandachtig. Nee, er kwam echt geen enkel geluid van de andere kant. Ik gooide de deur open en stapte zijn kamer binnen. “Ha! Ik weet wat je doet!” Verschrikt en vooral heel erg slaperig keek mijn broertje me aan. En in een oogopslag wist ik dat hij mij niet in de maling had proberen te nemen. Hij was ziek. Dat verklaarde ook waarom de muziek uit stond. Zo af en toe had mijn broertje knallende koppijn en kon hij geen geluid verdragen.
Ik bood mijn excuses aan en liep terug naar de badkamer. Ik pakte mijn tandenborstel, deed er wat tandpasta op, stopte de borstel in mijn mond en keek in de spiegel. Van schrik liet ik de tandenborstel vallen. Er stond iemand achter me! Snel draaide ik me om. Niets. Er stond helemaal niemand. Ik was gek aan het worden. Ik wist het zeker. Ik hoorde stemmen die er niet waren, ik zag mensen die er niet waren. Geen twijfel mogelijk, ik draaide door.
Ik probeerde mezelf te kalmeren en ging naar bed. Na lang woelen viel ik eindelijk in slaap. Midden in de nacht werd ik met een schok wakker. Iemand riep me. Iemand in mijn kamer sprak tegen me en maakte me wakker! Ik keek om me heen en zag hem. Met zijn armen over elkaar tegen de muur geleund keek hij mij indringend aan. Zijn dwingende blik maakte het mij onmogelijk iets te doen. Schreeuwen lukte niet. Uit bed komen evenmin. Zijn wil had mijn fysieke vermogens onder controle. Goedkeurend knikte hij. “Jij bent het. Jij gaat de belangrijkste persoon in mijn leven worden. En ik in het jouwe.” Na deze woorden was hij verdwenen. Onzichtbaar geworden in de donkere, maanloze nacht.

De volgende dag werd ik doodziek wakker. En elke volgende dag verslechterde mijn gezondheid. Ik bleek een ernstige, chronische bloedarmoede te hebben waardoor ik weinig energie had en zeer bleek werd. Tegelijkertijd ontwikkelde ik een zogenaamde ‘vollemaansgezicht’ door een afwijkende hormoonspiegel. Ik zag er verschrikkelijk uit. Ik voelde me verschrikkelijk. En er begonnen de meest verschrikkelijke verhalen rond te gaan. Ik zou overdag zo moe zijn omdat ik ’s nachts op pad was. Ik zou ’s nachts gezien zijn terwijl ik joelend en jankend op ‘onschuldige, maagdelijke meisjes’ zou hebben gejaagd. Ik zou een vampier zijn geworden en een gebrek aan vers bloed hebben. En omdat ik aangestuurd zou worden door de volle maan zag ik eruit als een grote, oplichtende maan. En ik was natuurlijk niet zomaar een maangestuurd, bloeddorstig wezen geworden. Ik was zo geboren. Daarom hadden mijn ouders mij Luna genoemd, als eerbetoon aan een heidens wezen waar ze mij aan hadden geofferd.
Deze verhalen waren natuurlijk verre van waar en nergens anders op gebaseerd dan mijn onnatuurlijke uiterlijk. En ze kwetsten mij. Hoe konden mensen dat van mij denken? Waarom zouden ze zulke rare dingen over mij zeggen? Waarom meden mensen mij sinds ik dat bleke vollemaansgezicht had? Zouden ze bang zijn dat het besmettelijk zou zijn? Ik voelde mij een paria. Maar uiteindelijk went alles. Het interesseerde me steeds minder wat andere mensen van mij zeiden. Want elke maanloze nacht kwam hij bij me. Hij keek hele nachten naar me. Door zijn blik alleen al voelde ik me mooi. En daar kwamen dan nog zijn vleiende woorden bij. Hij liet me waarlijk geloven dat ik het meest mooie levende wezen op aarde was. Hij was een geboren charmeur. En hij had gelijk gekregen. Hij was de meest belangrijke persoon in mijn leven geworden. Toen ik hem dat vertelde keek hij me met een trieste blik aan. “Ik geloof je niet.”, was alles wat hij zei.

De volgende nieuwe manen bleef hij weg. Ik was intens verdrietig. Wat deed ik fout? Waarom geloofde hij mij niet? Na drie maanden schreeuwde ik in pure wanhoop uit: ”Hoe kan ik laten zien dat je de belangrijkste persoon in mijn leven bent? Ik wil niet nog langer zonder je. Vertel me wat ik moet doen. Wanneer geloof je mij?”

Die nacht droomde ik over hem. Toen ik wakker werd was ik kotsmisselijk, nat van het zweet en vol walging. Wat hij van mij vroeg was afschuwelijk. Wat hij wilde was ondenkbaar. De voorwaarden voor zijn liefde tartten elk voorstellingsvermogen. Maar het meest verschrikkelijke was nog wel dat ik wist dat ik al zijn eisen een voor een zou uitvoeren. Ik wilde liever mezelf nooit meer in de spiegel aan kunnenkijken dan hem verliezen. En dat was de meest afschuwelijke gedachte die ik ooit had gehad.

De jaren die volgden was ik geen enkel nieuwe maan-nacht meer thuis. .Mijn ouders waren alle grip op mij kwijt. En ik alle grip op de realiteit. Ik zwierf op straat. Ik zoop, ik spoot en ik slikte alles wat me werd aangeboden. Want dat was wat hij mij had opgedragen. Ik stal, ik loog, ik bedroog, want dat was wat hij van mij verlangde. Ik had seks met elke persoon die dat met mij wilde omdat hij me had gevraagd geen seks te weigeren. Eigenwaarde had ik niet meer. Alles wat ik deed was om zijn wensen en verlangens te vervullen. Ik ging heel ver in mijn behoefte hem te behagen.
Ik ging zelfs elke nieuwe maan op jacht naar  meisjes met blozende appelwangetjes. Hij verafschuwde de gezondheid die dat soort meisjes uitstraalden en eiste van mij dat ik er elke nieuwe maan een aan hem offerde. Ik mocht ze niet zomaar vermoorden. Nee, ze moesten ritueel geofferd worden. Dus met veel seks, bloed en wreedheid.
De eersten vervulden mij met afschuw. Bij de vierde of vijfde merkte ik dat het geweld en de gruwelijkheden mij hadden afgestompt, hun leed raakte mij niet meer. Het zal bij de zeventiende zijn geweest dat ik plots weer iets voelde bij het uitvoeren van zijn wrede opdrachten. Een soort opwinding. Een vervulling van een behoefte. Het gaf mij voldoening het onbenullige kind te kwetsen. De pijn die de martelingen haar deden schonken mij genot. En het moment dat ze eindelijk stierf bracht mij in extase. Ik had mij nog nooit eerder zo machtig, zo sterk en zo prachtig gevoeld. Ik was onoverwinnelijk. Ik was een godin! En ik wist dat dit het bewijs was dat ik niet zonder hem kon. Ik had hem nodig om dit deel van mijn ziel te zien. Ik had hem nodig om mijn duistere kant te erkennen. Ik had hem nodig om mijn ware ik te ontwikkelen. Plots wist ik waarom hij de belangrijkste persoon in mijn leven was. Hij had mij gezien voor wie ik waarlijk was.

Met dit besef kwam ook de nieuwsgierigheid wat ik hem dan te bieden had. Had hij het geweld wat ik hem verschafte nodig? Waren het de offers die hem voldoening schonken? Of was er een andere reden dat ik de belangrijkste persoon in zijn leven zou worden?

Nog vele maanden liet hij mij in het ongewisse. Maanden waarin ik verder en verder van een aanvaardbaar leven geraakte. Ik maakte mij meer en meer los van het meisje wat ik ooit was geweest. Ik verbrak het contact met mijn familie.  Ik vertrok uit de stad waar ik was opgegroeid. Ik leefde mijn goddeloze bestaan tussen de andere door god en mensheid verlaten wezens. Alles voor hem.

Veel mensen zijn bang voor de wezens van de volle maan. Zij vrezen de verhalen over weerwolven en vampiers. Ik weet dat er groter gevaar schuilt in de maanloze nachten. Het draagt het duister in zich, net als ik. Morgen is het nieuwe maan. Morgen zal ik mijn belangrijkste taak vervullen. Morgennacht zal ik het leven schenken aan hem. Mijn zoon, mijn eigen demon, het ultieme kwaad. De afwezigheid van het licht.


zaterdag 19 april 2014

De man en het hondje

Het was al weer veertien jaar geleden dat ze het kreng hadden gevonden in het bos. Hij kon het zich nog als de dag van gisteren herinneren. Het was een van de laatste keren geweest dat ze samen in het bos hadden gelopen. De gezondheid van zijn vrouw was al een tijd niet meer goed dus toen het mooi, rustig herfstweer was en ze zich fit voelde hadden ze hun kans gegrepen en waren naar het bos gereden.
Het was rustig in het bos. Ze hadden gekozen een korte route te lopen met onderweg genoeg bankjes om even uit te rusten en te genieten van het uitzicht. Bij een van die bankjes had het hondje gezeten. Vastgebonden aan de afvalbak. De aanblik van het diertje had hen geschokt. Het was duidelijk verwaarloosd en ondervoed. Zijn vrouw had hem aangekeken en hij had het meteen geweten. Verzetten was zinloos, vanaf dat moment hadden ze een huisdier.

Het hondje, door hem steevast ‘mormel’ genoemd, knapte snel op en groeide uit tot een levendig en speels diertje. Zijn vrouw was verzot op het diertje en ook hijzelf raakte aan het beestje gehecht. Helaas mocht zijn vrouw maar kort genieten van het hondje. Al na enkele maanden overleed ze.
Na haar dood viel de man in een diep zwart gat. Na zesenvijftig jaar lief en leed te hebben gedeeld, stond hij er nu alleen voor. Het was dat hij haar beloofd had goed voor Mormel te zorgen, anders was hij volledig verpieterd. Nu moest hij vier keer op een dag dat beest uitlaten, waardoor hij onder de mensen kwam. Hij kwam altijd wel iemand tegen die een praatje met hem maakte.

Hij keek eens naar Mormel die lekker in zijn mand lag. Ook bij het trouwe beestje begonnen de jaren hun sporen na te laten. Mormel was een heel rustig geworden. Hij lag tegenwoordig de hele dag in zijn mand. Lopen kon het arme dier nog maar nauwelijks. Hij droeg het naar het park, ging op een bankje zitten, zette het diertje op de grond zodat het zijn behoeftes kon doen en maakte een praatje met de mensen die voorbij kwamen. Het was trouwens weer hoog tijd voor een wandelingetje.
Hij deed Mormel de riem om en liep met het diertje in zijn armen naar het bankje. Het beestje begon wat te stinken. Hij moest het straks als ze thuis waren maar eens in bad doen.
Hij zat nog maar net op het bankje toen er twee politieagenten bij hem kwamen staan. Ze spraken hem vriendelijk aan en vroegen hoe het met zijn hondje ging. Daarna vroegen ze hem waar hij woonde. Hij wilde antwoord geven, maar wist het even niet meer. Hoe kon dat nou? Hij wist toch wel waar hij woonde? Hij haalde zijn portemonnee uit zijn zak en rommelde er eens in. Hier zat vast wel iets in waar zijn adres op stond. Er zat niet veel in zijn portemonnee, enkel een handgeschreven kaartje. Hij gaf dit aan de agenten. De agent bekeek het kaartje eens en las het toen aandachtig door. Toen hij klaar was, slikte hij even en gaf het kaartje aan de andere agent. Deze keek met een schuin oog naar zijn collega en las toen zelf het kaartje.

Beste lezer,

U bent nu in het gezelschap van een oudere man, mijn allerliefste opa. Sinds zijn hondje is overleden is hij af en toe in de war en dwaalt dan door de buurt. Helaas kan ik niet voltijd voor hem zorgen en zijn zelfredzaamheid is te groot om hem in een zorghuis te mogen plaatsen. Zou U opa naar onderstaand adres willen brengen? De sleutel van het huis zit in zijn rechter broekzak. Als U ook onderstaand nummer belt kom ik direct, zodat U opa niet alleen achter hoeft te laten.

Bij voorbaat wil ik U hartelijk danken.

p.s. Vergeet niet het knuffelhondje wat aan de riem zit mee te nemen. Zonder dit speelgoeddier raakt opa in paniek.


Ook de tweede agent moet even slikken. Hij pakt zijn telefoon en toetst een nummer in. “Hallo mevrouw, wij hebben uw opa een behoorlijk eind van huis aangetroffen. We zullen zorgen dat  hij veilig en wel weer thuiskomt.”

zaterdag 6 juli 2013

Een cello met bezieling

Nog een keer haal ik met woeste halen de strijkstok over de snaren. Mijn cello slaakt een ijzingwekkende gil. Met mijn ogen dicht geniet ik van de wegstervende noodkreet. Wanneer het eindelijk stil is leg ik voorzichtig de strijkstok neer en streel liefkozend over het glanzende hout. Na een klopje op de klankkast leg ik de driekwart cello voorzichtig in zijn koffer.
Ik  hou oprecht van het mooie instrument. Op dit instrument heb ik geleerd te houden van het spelen. Het spel van de losse noten die verbonden worden tot een melodie. Een mooie melodie, een droevige melodie of een vrolijke melodie. Maar net hoe de muzikant het instrument laat spreken. Ondanks een jarenlange zoektocht heb ik nog nooit een volwaardige cello gevonden van welke het geluid me net zo in vervoering kan brengen. Wanneer ik op deze cello speel voel ik de liefde van mijn opa, die dit kleine instrument voor me maakte.

Ik weet nog goed hoe ik  als klein meisje toekeek hoe mijn opa bezig was met het uit been snijden van de stemknoppen. Jong als ik was vroeg ik hem waarom hij dat niet maakte van kunststof zoals ik had gezien bij modernere cello’s. Opa schudde met een gepijnigde blik op zijn gezicht het hoofd. Timide vroeg ik hem of ik iets verkeerds gezegd had. Weer schudde opa zijn hoofd. “Nee Cara, je hebt niets verkeerds gezegd. Ik zit alleen heel hard na te denken hoe ik je kan uitleggen waarom ik voor organische materialen kies en alles op de oude manier maak en in elkaar zet. Je zult me wel een vreemde oude man vinden dat ik niet kies voor meer moderne en snellere technieken.”
Moeizaam stond opa op uit zijn gebogen houding en liep naar een rek waar diverse cello’s lagen. Voorzichtig pakte hij er twee en nam ze mee naar de hoge stoel waar hij altijd op zat als hij de cello’s die hij gerepareerd had uitprobeerde. Hij klemde er een tussen zijn benen en zei :”Luister goed, Cara.”
Hij haalde de strijkstok over de snaren en een kristalheldere noot, zuiver als water klonk door de kleine werkplaats. Opa liet de noot wegsterven en pakte de andere cello. Weer haalde hij de strijkstok over de snaren en dezelfde noot vulde de ruimte. Maar deze noot was heel anders. Minder zuiver, dieper, meer omfloerst. Deze noot sprak tegen mij, reikte uit naar mijn ziel en raakte mij rechtstreeks in mijn hart. Met tranen  in mijn ogen keek ik opa aan en knikte. Ik had het begrepen. Iets wat nooit geleefd had kon nooit zo’n emotie dragen. Hoewel het geluid van de eerste cello puur en oprecht was, was het kil en steriel. Zielloos.
Daar en op dat moment besloot ik dat ik ooit zelf een cello zou maken. Helemaal op de ouderwetse manier van enkel organische materialen. De tijd om mijn besluit te gaan uitvoeren is gekomen. En ik zal nog een stap verder gaan dan opa. Ik zal gebruik maken van materialen waar ik liefde voor voel. Elk onderdeel zal passie hebben gekend. Ik ga opa trots maken. Ik zal de ultieme bezieling vangen in een cello.

Ik ga naar opa’s werkplaats. Wanneer ik het schuurtje binnen ben gekomen, blijf ik even met dichte ogen staan. Ik geniet van alle vertrouwde geuren die me tegemoet komen. De geur van sparren-, essen- en wilgenhout dringen mijn neusgaten binnen. En bij elke ademteug die ik neem komen er meer geuren binnen. Ik ruik de nog steeds aanwezige geuren van paardenlijm en de gelooide huiden. Hoewel het de eerste keer is dat ik hier ben na het overlijden van mijn opa, voel ik me meteen weer op mijn plek. Hier voel ik me thuis.
Mama zei altijd dat dat was omdat ik was geboren uit de verbindende liefde voor muziek. Ik snap dat ze dat graag denkt want de ware reden is toch wat minder poëtisch. Dit is de enige plek waar ik me welkom voelde. Thuis moest ik altijd stil zijn omdat mama en papa moesten repeteren voor het orkest. En als ze niet repeteerden waren ze een muziekstuk aan het bestuderen en  mocht ik ze niet storen. Of ze waren zich aan het voorbereiden op een optreden met een orkest en wilden ze graag alleen zijn. Maar bij opa mocht ik wel altijd kijken. En vragen stellen. En vertellen over hoe het op school was geweest. Bij opa voelde ik me gewenst en veilig. Bij opa was ik altijd welkom.

Langzamerhand wennen mijn ogen aan het schemerdonker in het kleine schuurtje. Ik kijk de ruimte door en ben blij te zien dat mijn ouders achterin de werkplaats op een bankje zitten. Het ontroerd me zelfs. Ik ben blij dat ze onderdeel zullen zijn van iets wat voor mij belangrijk is. Onze band was misschien niet erg sterk maar hun passie en liefde voor muziek wel. Ik kan hun bezieling goed gebruiken. 

Ik verman me. Het is de hoogste tijd om aan de slag te gaan. Zorgvuldig maak ik een achterblad uit het wilgenhout. Ik zaag, schaaf en schuur het in de gewenste vorm. Daarna schuur ik het oppervlak spiegelglad zodat het patroon van de houtnerf mooi uitkomt. Dan is het vormen van de zijkanten aan de beurt. Het buigen van het hout valt me zwaar. Het gaat minder makkelijk dan ik had gedacht. Ik bedenk me dat het hout waarschijnlijk te droog is. Gelukkig had ik al wat klaar staan om het te  bevochtigen. Voorzichtig maak ik het hout nat en probeer het opnieuw in vorm te buigen. Na dit een paar keer te hebben herhaald, krijg ik de delen in de mallen die mijn opa lang geleden voor dit doel heeft gemaakt. Bewonderend bekijk ik de warme, dieprode  kleur die het hout door de vloeistof heeft gekregen. Het hout straalt meteen de liefde en passie uit die ik zo graag wil vangen in mijn cello.

Als bezeten ga ik dag en nacht door. Het maken van een cello vergt veel werk. Alle onderdelen moeten uit  verschillende houtsoorten worden gesneden, gezaagd of gefreesd. En daarna natuurlijk geschuurd en gepolijst. Ze moeten spiegelglad en glanzend zijn. 
Als alle houten onderdelen klaar zijn is het tijd om de lijm te maken. Het maken van de lijm doe ik in een schuurtje ver van de werkplaats. De stank die vrij komt bij het uitkoken van de botten en het vermalen tot beendermeel is namelijk niet te harden. In datzelfde schuurtje liggen de gelooide huiden te drogen. Ik bekijk ze vol trots. Ze zijn prachtig geworden. De koffer voor de cello zal net zo mooi worden als het instrument zelf.

Ik geniet met volle teugen van elke stap in het proces. Het is veelal zwaar en nauwkeurig handwerk ,maar geeft zoveel voldoening. Bij elke stap voel ik de aanwezigheid van mijn opa. Bij elk afgerond onderdeel voel ik naast euforie zijn goedkeuring en trots. Geregeld hoor ik zijn stem in mijn hoofd: ”Goed zo, Cara.” 

Hoewel mijn ouders al die tijd al aanwezig zijn zwijgen zij in alle talen. Dat betreur ik zeer want ze zijn een wezenlijk onderdeel van dit proces. Het is hun bezieling die ik wil vangen in deze cello. Het zijn misschien geen goede ouders maar ze zijn beiden muzikant in hart en nieren. Ze hebben altijd geleefd voor muziek. Ze hebben altijd geleefd door de muziek. Deze liefde verbindt ze tot op de dag van vandaag. Deze verbinding is mijn reden van bestaan. Ik had gehoopt dat ze zich  meer betrokken hadden getoond.  
In een laatste poging haar met mijn project te verbinden vraag ik mijn moeders toestemming om haar haar te gebruiken in de strijkstok. Ze blijft zwijgen maar als ik met een schaar in mijn hand naar haar toe loop verzet ze zich niet. Voorzichtig bind ik een dikke lok van haar lange blonde haar in de strijkstok. Met een diepe zucht leg ik de stok neer. Dit was het laatste onderdeel. Eindelijk ben ik klaar.

Pas nu ik klaar ben voel ik hoe moe ik ben. Maar ik kan nog niet rusten. Niet voordat ik de cello bespeelt heb. 
Voorzichtig pak ik het bloedrode instrument uit zijn koffer. Teder neem ik de kast tussen mijn benen. Mijn hand glijdt langs de hals naar de stemknoppen. Er loopt een rilling langs mijn ruggengraat. Ik voel hoe bijzonder dit instrument is geworden. Het voelt alsof de cello er naar smacht bespeeld te worden en tot leven te worden gebracht. 
Ik geef gehoor aan de smekende oproep. Mijn geoefende hand pakt een akkoord en  ik breng de strijkstok naar de snaren. Wanneer de haren de snaren raken voel ik een schok door mijn lichaam heen trekken. Geschrokken laat ik de strijkstok vallen. Ik pak de stok op en probeer het opnieuw. Dit keer is de schok zo hevig dat ik de cello bijna laat vallen. Ik zet me schrap en doe een derde poging. Het eerste akkoord van mijn cello klinkt in de kleine ruimte. Het lijkt alsof met dit geluid alle spanning tussen snaren en haren wegvloeit. De cello nodigt me uit  verder  te spelen. Zonder na te denken zet ik een lieflijk kinderliedje in wat mijn moeder me vroeger heeft geleerd. Als het liedje is afgelopen smeekt de cello me het nog een keer te spelen. En nog eens. En nog eens. Telkens opnieuw speel ik het kinderliedje ,steeds gedrevener, steeds gepassioneerder.

En dan, als het ritme van gepassioneerd doorslaat naar bezeten, hoor ik een krijs uit de cello komen. Vervolgens de stemmen van mijn vader en mijn moeder. “We gaven je leven. We gaven je liefde. We gaven je talent. We gaven je passie voor muziek. Waarom was dat niet voldoende? Waarom wilde je ons helemaal bezitten? Onze huid, ons haar, onze ingewanden, onze botten, alles nam je ons af. Alles omdat jezelf niet genoeg bezieling bezat om een cello te voeden. Boeten zal je!”

Geschrokken wil ik de cello loslaten, maar het lukt me niet. Mijn handen blijven spelen. Mijn vingers blijven akkoorden pakken. Ik kan niets anders dan doorspelen. Ik zal doorspelen tot de ban van de bezieling verbroken is.