zaterdag 19 april 2014

De man en het hondje

Het was al weer veertien jaar geleden dat ze het kreng hadden gevonden in het bos. Hij kon het zich nog als de dag van gisteren herinneren. Het was een van de laatste keren geweest dat ze samen in het bos hadden gelopen. De gezondheid van zijn vrouw was al een tijd niet meer goed dus toen het mooi, rustig herfstweer was en ze zich fit voelde hadden ze hun kans gegrepen en waren naar het bos gereden.
Het was rustig in het bos. Ze hadden gekozen een korte route te lopen met onderweg genoeg bankjes om even uit te rusten en te genieten van het uitzicht. Bij een van die bankjes had het hondje gezeten. Vastgebonden aan de afvalbak. De aanblik van het diertje had hen geschokt. Het was duidelijk verwaarloosd en ondervoed. Zijn vrouw had hem aangekeken en hij had het meteen geweten. Verzetten was zinloos, vanaf dat moment hadden ze een huisdier.

Het hondje, door hem steevast ‘mormel’ genoemd, knapte snel op en groeide uit tot een levendig en speels diertje. Zijn vrouw was verzot op het diertje en ook hijzelf raakte aan het beestje gehecht. Helaas mocht zijn vrouw maar kort genieten van het hondje. Al na enkele maanden overleed ze.
Na haar dood viel de man in een diep zwart gat. Na zesenvijftig jaar lief en leed te hebben gedeeld, stond hij er nu alleen voor. Het was dat hij haar beloofd had goed voor Mormel te zorgen, anders was hij volledig verpieterd. Nu moest hij vier keer op een dag dat beest uitlaten, waardoor hij onder de mensen kwam. Hij kwam altijd wel iemand tegen die een praatje met hem maakte.

Hij keek eens naar Mormel die lekker in zijn mand lag. Ook bij het trouwe beestje begonnen de jaren hun sporen na te laten. Mormel was een heel rustig geworden. Hij lag tegenwoordig de hele dag in zijn mand. Lopen kon het arme dier nog maar nauwelijks. Hij droeg het naar het park, ging op een bankje zitten, zette het diertje op de grond zodat het zijn behoeftes kon doen en maakte een praatje met de mensen die voorbij kwamen. Het was trouwens weer hoog tijd voor een wandelingetje.
Hij deed Mormel de riem om en liep met het diertje in zijn armen naar het bankje. Het beestje begon wat te stinken. Hij moest het straks als ze thuis waren maar eens in bad doen.
Hij zat nog maar net op het bankje toen er twee politieagenten bij hem kwamen staan. Ze spraken hem vriendelijk aan en vroegen hoe het met zijn hondje ging. Daarna vroegen ze hem waar hij woonde. Hij wilde antwoord geven, maar wist het even niet meer. Hoe kon dat nou? Hij wist toch wel waar hij woonde? Hij haalde zijn portemonnee uit zijn zak en rommelde er eens in. Hier zat vast wel iets in waar zijn adres op stond. Er zat niet veel in zijn portemonnee, enkel een handgeschreven kaartje. Hij gaf dit aan de agenten. De agent bekeek het kaartje eens en las het toen aandachtig door. Toen hij klaar was, slikte hij even en gaf het kaartje aan de andere agent. Deze keek met een schuin oog naar zijn collega en las toen zelf het kaartje.

Beste lezer,

U bent nu in het gezelschap van een oudere man, mijn allerliefste opa. Sinds zijn hondje is overleden is hij af en toe in de war en dwaalt dan door de buurt. Helaas kan ik niet voltijd voor hem zorgen en zijn zelfredzaamheid is te groot om hem in een zorghuis te mogen plaatsen. Zou U opa naar onderstaand adres willen brengen? De sleutel van het huis zit in zijn rechter broekzak. Als U ook onderstaand nummer belt kom ik direct, zodat U opa niet alleen achter hoeft te laten.

Bij voorbaat wil ik U hartelijk danken.

p.s. Vergeet niet het knuffelhondje wat aan de riem zit mee te nemen. Zonder dit speelgoeddier raakt opa in paniek.


Ook de tweede agent moet even slikken. Hij pakt zijn telefoon en toetst een nummer in. “Hallo mevrouw, wij hebben uw opa een behoorlijk eind van huis aangetroffen. We zullen zorgen dat  hij veilig en wel weer thuiskomt.”

zaterdag 6 juli 2013

Een cello met bezieling

Nog een keer haal ik met woeste halen de strijkstok over de snaren. Mijn cello slaakt een ijzingwekkende gil. Met mijn ogen dicht geniet ik van de wegstervende noodkreet. Wanneer het eindelijk stil is leg ik voorzichtig de strijkstok neer en streel liefkozend over het glanzende hout. Na een klopje op de klankkast leg ik de driekwart cello voorzichtig in zijn koffer.
Ik  hou oprecht van het mooie instrument. Op dit instrument heb ik geleerd te houden van het spelen. Het spel van de losse noten die verbonden worden tot een melodie. Een mooie melodie, een droevige melodie of een vrolijke melodie. Maar net hoe de muzikant het instrument laat spreken. Ondanks een jarenlange zoektocht heb ik nog nooit een volwaardige cello gevonden van welke het geluid me net zo in vervoering kan brengen. Wanneer ik op deze cello speel voel ik de liefde van mijn opa, die dit kleine instrument voor me maakte.

Ik weet nog goed hoe ik  als klein meisje toekeek hoe mijn opa bezig was met het uit been snijden van de stemknoppen. Jong als ik was vroeg ik hem waarom hij dat niet maakte van kunststof zoals ik had gezien bij modernere cello’s. Opa schudde met een gepijnigde blik op zijn gezicht het hoofd. Timide vroeg ik hem of ik iets verkeerds gezegd had. Weer schudde opa zijn hoofd. “Nee Cara, je hebt niets verkeerds gezegd. Ik zit alleen heel hard na te denken hoe ik je kan uitleggen waarom ik voor organische materialen kies en alles op de oude manier maak en in elkaar zet. Je zult me wel een vreemde oude man vinden dat ik niet kies voor meer moderne en snellere technieken.”
Moeizaam stond opa op uit zijn gebogen houding en liep naar een rek waar diverse cello’s lagen. Voorzichtig pakte hij er twee en nam ze mee naar de hoge stoel waar hij altijd op zat als hij de cello’s die hij gerepareerd had uitprobeerde. Hij klemde er een tussen zijn benen en zei :”Luister goed, Cara.”
Hij haalde de strijkstok over de snaren en een kristalheldere noot, zuiver als water klonk door de kleine werkplaats. Opa liet de noot wegsterven en pakte de andere cello. Weer haalde hij de strijkstok over de snaren en dezelfde noot vulde de ruimte. Maar deze noot was heel anders. Minder zuiver, dieper, meer omfloerst. Deze noot sprak tegen mij, reikte uit naar mijn ziel en raakte mij rechtstreeks in mijn hart. Met tranen  in mijn ogen keek ik opa aan en knikte. Ik had het begrepen. Iets wat nooit geleefd had kon nooit zo’n emotie dragen. Hoewel het geluid van de eerste cello puur en oprecht was, was het kil en steriel. Zielloos.
Daar en op dat moment besloot ik dat ik ooit zelf een cello zou maken. Helemaal op de ouderwetse manier van enkel organische materialen. De tijd om mijn besluit te gaan uitvoeren is gekomen. En ik zal nog een stap verder gaan dan opa. Ik zal gebruik maken van materialen waar ik liefde voor voel. Elk onderdeel zal passie hebben gekend. Ik ga opa trots maken. Ik zal de ultieme bezieling vangen in een cello.

Ik ga naar opa’s werkplaats. Wanneer ik het schuurtje binnen ben gekomen, blijf ik even met dichte ogen staan. Ik geniet van alle vertrouwde geuren die me tegemoet komen. De geur van sparren-, essen- en wilgenhout dringen mijn neusgaten binnen. En bij elke ademteug die ik neem komen er meer geuren binnen. Ik ruik de nog steeds aanwezige geuren van paardenlijm en de gelooide huiden. Hoewel het de eerste keer is dat ik hier ben na het overlijden van mijn opa, voel ik me meteen weer op mijn plek. Hier voel ik me thuis.
Mama zei altijd dat dat was omdat ik was geboren uit de verbindende liefde voor muziek. Ik snap dat ze dat graag denkt want de ware reden is toch wat minder poëtisch. Dit is de enige plek waar ik me welkom voelde. Thuis moest ik altijd stil zijn omdat mama en papa moesten repeteren voor het orkest. En als ze niet repeteerden waren ze een muziekstuk aan het bestuderen en  mocht ik ze niet storen. Of ze waren zich aan het voorbereiden op een optreden met een orkest en wilden ze graag alleen zijn. Maar bij opa mocht ik wel altijd kijken. En vragen stellen. En vertellen over hoe het op school was geweest. Bij opa voelde ik me gewenst en veilig. Bij opa was ik altijd welkom.

Langzamerhand wennen mijn ogen aan het schemerdonker in het kleine schuurtje. Ik kijk de ruimte door en ben blij te zien dat mijn ouders achterin de werkplaats op een bankje zitten. Het ontroerd me zelfs. Ik ben blij dat ze onderdeel zullen zijn van iets wat voor mij belangrijk is. Onze band was misschien niet erg sterk maar hun passie en liefde voor muziek wel. Ik kan hun bezieling goed gebruiken. 

Ik verman me. Het is de hoogste tijd om aan de slag te gaan. Zorgvuldig maak ik een achterblad uit het wilgenhout. Ik zaag, schaaf en schuur het in de gewenste vorm. Daarna schuur ik het oppervlak spiegelglad zodat het patroon van de houtnerf mooi uitkomt. Dan is het vormen van de zijkanten aan de beurt. Het buigen van het hout valt me zwaar. Het gaat minder makkelijk dan ik had gedacht. Ik bedenk me dat het hout waarschijnlijk te droog is. Gelukkig had ik al wat klaar staan om het te  bevochtigen. Voorzichtig maak ik het hout nat en probeer het opnieuw in vorm te buigen. Na dit een paar keer te hebben herhaald, krijg ik de delen in de mallen die mijn opa lang geleden voor dit doel heeft gemaakt. Bewonderend bekijk ik de warme, dieprode  kleur die het hout door de vloeistof heeft gekregen. Het hout straalt meteen de liefde en passie uit die ik zo graag wil vangen in mijn cello.

Als bezeten ga ik dag en nacht door. Het maken van een cello vergt veel werk. Alle onderdelen moeten uit  verschillende houtsoorten worden gesneden, gezaagd of gefreesd. En daarna natuurlijk geschuurd en gepolijst. Ze moeten spiegelglad en glanzend zijn. 
Als alle houten onderdelen klaar zijn is het tijd om de lijm te maken. Het maken van de lijm doe ik in een schuurtje ver van de werkplaats. De stank die vrij komt bij het uitkoken van de botten en het vermalen tot beendermeel is namelijk niet te harden. In datzelfde schuurtje liggen de gelooide huiden te drogen. Ik bekijk ze vol trots. Ze zijn prachtig geworden. De koffer voor de cello zal net zo mooi worden als het instrument zelf.

Ik geniet met volle teugen van elke stap in het proces. Het is veelal zwaar en nauwkeurig handwerk ,maar geeft zoveel voldoening. Bij elke stap voel ik de aanwezigheid van mijn opa. Bij elk afgerond onderdeel voel ik naast euforie zijn goedkeuring en trots. Geregeld hoor ik zijn stem in mijn hoofd: ”Goed zo, Cara.” 

Hoewel mijn ouders al die tijd al aanwezig zijn zwijgen zij in alle talen. Dat betreur ik zeer want ze zijn een wezenlijk onderdeel van dit proces. Het is hun bezieling die ik wil vangen in deze cello. Het zijn misschien geen goede ouders maar ze zijn beiden muzikant in hart en nieren. Ze hebben altijd geleefd voor muziek. Ze hebben altijd geleefd door de muziek. Deze liefde verbindt ze tot op de dag van vandaag. Deze verbinding is mijn reden van bestaan. Ik had gehoopt dat ze zich  meer betrokken hadden getoond.  
In een laatste poging haar met mijn project te verbinden vraag ik mijn moeders toestemming om haar haar te gebruiken in de strijkstok. Ze blijft zwijgen maar als ik met een schaar in mijn hand naar haar toe loop verzet ze zich niet. Voorzichtig bind ik een dikke lok van haar lange blonde haar in de strijkstok. Met een diepe zucht leg ik de stok neer. Dit was het laatste onderdeel. Eindelijk ben ik klaar.

Pas nu ik klaar ben voel ik hoe moe ik ben. Maar ik kan nog niet rusten. Niet voordat ik de cello bespeelt heb. 
Voorzichtig pak ik het bloedrode instrument uit zijn koffer. Teder neem ik de kast tussen mijn benen. Mijn hand glijdt langs de hals naar de stemknoppen. Er loopt een rilling langs mijn ruggengraat. Ik voel hoe bijzonder dit instrument is geworden. Het voelt alsof de cello er naar smacht bespeeld te worden en tot leven te worden gebracht. 
Ik geef gehoor aan de smekende oproep. Mijn geoefende hand pakt een akkoord en  ik breng de strijkstok naar de snaren. Wanneer de haren de snaren raken voel ik een schok door mijn lichaam heen trekken. Geschrokken laat ik de strijkstok vallen. Ik pak de stok op en probeer het opnieuw. Dit keer is de schok zo hevig dat ik de cello bijna laat vallen. Ik zet me schrap en doe een derde poging. Het eerste akkoord van mijn cello klinkt in de kleine ruimte. Het lijkt alsof met dit geluid alle spanning tussen snaren en haren wegvloeit. De cello nodigt me uit  verder  te spelen. Zonder na te denken zet ik een lieflijk kinderliedje in wat mijn moeder me vroeger heeft geleerd. Als het liedje is afgelopen smeekt de cello me het nog een keer te spelen. En nog eens. En nog eens. Telkens opnieuw speel ik het kinderliedje ,steeds gedrevener, steeds gepassioneerder.

En dan, als het ritme van gepassioneerd doorslaat naar bezeten, hoor ik een krijs uit de cello komen. Vervolgens de stemmen van mijn vader en mijn moeder. “We gaven je leven. We gaven je liefde. We gaven je talent. We gaven je passie voor muziek. Waarom was dat niet voldoende? Waarom wilde je ons helemaal bezitten? Onze huid, ons haar, onze ingewanden, onze botten, alles nam je ons af. Alles omdat jezelf niet genoeg bezieling bezat om een cello te voeden. Boeten zal je!”

Geschrokken wil ik de cello loslaten, maar het lukt me niet. Mijn handen blijven spelen. Mijn vingers blijven akkoorden pakken. Ik kan niets anders dan doorspelen. Ik zal doorspelen tot de ban van de bezieling verbroken is.

woensdag 5 juni 2013

Het Writersblock

Image courtesy of federico stevanin at FreeDigitalPhotos.net
Verloren staat Maartje op de bijna lege parkeerplaats. Vertwijfeld kijkt ze naar het papiertje met het adres en de routebeschrijving in haar hand. Ze zal het toch wel goed begrepen hebben? Er heeft toch niet iemand een nare grap met haar uitgehaald? Voor de vierde keer leest ze het briefje. Het adres klopt. De datum klopt. Ze is alleen wat vroeger dan het aangegeven tijdstip. Waarom is de parkeerplaats dan zo leeg? Ze zal toch niet de enige zijn die is uitgenodigd voor ‘Het Writersblock’?

Ze denkt terug aan het telefoongesprek van twee dagen geleden. Ze was gebeld door een van de uitgeverijen waar ze haar manuscript naar toe had gestuurd. Naar aanleiding van haar manuscript waren ze haar blog gaan volgen en waren daar zeer van onder de indruk. Ze prezen haar verhalen die ‘prachtig gelinkt waren aan de actualiteit’ , ‘voorzien van een prachtige zinsopbouw’ en ‘altijd verrassend’. De complimenten hadden haar zeer gevleid, maar ze maakten haar ook nieuwsgierig. Waarom zou een uitgeverij zo geïnteresseerd zijn in haar korte verhalen?
Maartje kreeg al snel antwoord op deze vraag. De vrouw van de uitgeverij vertelde dat erop dit moment weinig budget was voor het uitgeven van nieuwe schrijvers maar dat de uitgeverij wel een flink aantal veelbelovende manuscripten had ontvangen. Om nieuwe schrijvers toch een kans te geven hadden ze een wild plan bedacht, een realityshow. De show moest een kruising worden tussen ‘Het Blok’ en ‘Big Brother’ met als hoofdprijs het uitgeven van een manuscript van de winnaar. Een productiemaatschappij was zeer onder de indruk van het idee cultuur en realityshow te combineren en was met de uitgeverij in zee gegaan. Ze mochten de show gaan maken! En omdat een van de hoofdonderdelen het schrijven van verhalen in opdracht was, was Maartje een van de schrijvers die ze graag in ‘Het Writersblock’ wilden hebben.
In een opwelling had Maartje ‘ja’ gezegd en nog dezelfde avond had ze een mail gekregen met een adres, een routebeschrijving en een voorlopig contract. Toen ze de mail binnen kreeg waren de twijfels gekomen. Wilde ze dit wel? Was ze hier wel goed genoeg voor? Moest ze niet wat nuttigs doen met haar leven? Maar tegelijkertijd had ze zich rebels gevoeld. Ze kreeg een prachtkans in de schoot geworpen. Dit was al zo lang een stiekeme droom, erkend worden als schrijfster, waarom zou ze deze kans niet met beide handen aangrijpen.
Haar besluit stond vast en om te zorgen dat niemand zou proberen haar op andere gedachten te brengen had ze niemand verteld wat ze ging doen. Zelfs haar ouders en best vrienden niet. Ze had ze vanmorgen een mail gestuurd met de mededeling dat ze had besloten drie maanden ergens als een kluizenaar te gaan leven om  zich volledig op het schrijven te richten en dat ze na die drie maanden contact met ze zou opnemen. Ze had het er al zo vaak over gehad dat ze deze verklaring zonder aarzelen zouden aannemen.

En nu staat ze dan op een zo goed als lege parkeerplaats van een voormalig klooster, ver van de bewoonde wereld. Maartje heeft zich nog nooit zo alleen en eenzaam gevoeld. Ze schrikt op van een stem die haar naam lijkt te roepen. Ze draait zich om en ziet een man met uitgestoken hand op haar toelopen. Wanneer hij bij haar is schudt hij haar enthousiast de hand en zegt: ”Jeetje,  wat sta jij er verloren bij.Jij bent toch Maartje van ‘Maar vertel eens een verhaal’.”  Beduusd kijkt Maartje de man aan. Ze heeft geen flauw idee wie de man is en hoe hij haar kent. Terwijl de man maar door praat en door praat, voelt ze zich met de minuut ongemakkelijker. 
Plots zwijgt de man en kijkt  haar onderzoekend aan. “Wat is er Maartje?” Bedremmeld stamelt ze: “Je lijkt mij heel goed te kennen, maar ik heb geen flauw idee wie je bent.” De man schiet in de lach. “Je hebt helemaal gelijk. Ik ben Ben. Ik heb voor de uitgeverij een half haar lang je blog gevolgd. Met veel plezier moet ik je zeggen. Je schrijft fantastisch. Ik vind je zo goed dat ik alles op alles heb gezet om jou in ‘Het Writersblock’ te krijgen. Ik ben dan ook heel blij dat je de uitdaging durft aan te gaan. Maar kom, het is de hoogste tijd dat we naar het klooster gaan.”

Samen lopen Ben en Maartje over de nog steeds erg lege parkeerplaats. Heimelijk kijkt Maartje om haar heen. Er zullen toch wel meer mensen zijn uitgenodigd? Ze had begrepen dat de uitgeverij wilde starten met acht schrijvers. Waar zijn ze dan?
Aan de rand van het parkeerterrein is een klein paadje met een tuinhekje. Ze lopen het paadje op. Het kronkelt door bosachtig terrein waar het geluid van vogels overheerst. Na enkele minuten kruist plots een ander paadje hun weg. Ze gaan dit paadje op en na een scherpe bocht houdt de bosstrook op en staan ze voor de hoofdingang van een klooster. Tot haar grote opluchting en verbazing komt er van de andere kant van het klooster een groep mensen aanlopen. Gelukkig, ze is niet alleen. Maar waar komt deze groep mensen vandaan? Ben kijkt geamuseerd naar de wisselende uitdrukkingen op haar gezicht. Hij geeft een knijpje in haar bovenarm en zegt:” Alle andere deelnemers komen uit gebieden aan de andere kant van het klooster. Het was voor hen makkelijker om de parkeerplaats aan de andere kant te gebruiken. Je was toch niet bang dat je hier al die tijd alleen met mij zat opgescheept?”
Ze voegen zich bij de groep. Een aantal personen kent Maartje van hun blogs. Ze is verbaasd over de grote diversiteit in stijlen en persoonlijkheden die er zijn uitgezocht. Aan de andere kant geeft dit natuurlijk ook een grote diversiteit in de verhalen die zouden worden geschreven.

De groep gaat het klooster binnen en wordt een ruime bibliotheek binnen geleid. Er wordt hun verzocht plaats te nemen en wanneer iedereen zit, maant Ben iedereen tot stilte en neemt het woord. Hij heet hen allen welkom en vertelt nogmaals de achtergrond van ‘Het Writersblock’. Hoe ze tot deze realityserie hadden besloten.
Plots realiseert Maartje zich dat er overal camera’s aanwezig zijn. Schichtig kijkt ze om zich heen. Alleen al in de bibliotheek ziet ze vier camera’s opgesteld staan. Hoeveel meer zullen er zijn? Zal dat snel wennen of zal ze zich continu bespied voelen?
Dan hoort ze dat Ben even stil is en vervolgens zeer nadrukkelijk zeggen:” En dan nu, de regels.” Meteen heeft hij haar volle aandacht. En niet alleen die van haar. Iedereen lijkt de oren te spitsen. Ben vervolgt met:” De regels zijn simpel. Ieder heeft een eigen cel. In deze cel zijn een bed, kast, bureau, bureaustoel en laptop aanwezig. Gedurende jullie verblijf is deze laptop jullie persoonlijke werkplek. Er is geen internet aanwezig, eventuele research voor een verhaal kan in deze zeer uitgebreide bibliotheek worden gedaan. Hiervoor krijgt ieder van jullie 1 uur per dag toegang. Extra researchtijd kan worden verdiend door het goed uitvoeren van de schrijfopdrachten. Drie maal per week krijgen jullie op de aan jullie toegewezen laptop een schrijfopdracht. Deze moet voor de gestelde deadline ingeleverd worden. Wie de deadline niet haalt, wordt geëlimineerd. Wanneer iedereen de deadline haalt zal de persoon met de laagste waardering het klooster moeten verlaten. Voor elk persoon die ‘Het Writerblock’ verlaat, komt een nieuwe deelnemer. Elke persoon die 13 weken  in ‘Het Writersblock’ verblijft, krijgt een contract voor de uitgave van zijn of haar manuscript en de uitgave van een verhalenbundel met daarin de verhalen die hier in opdracht worden geschreven.”
Een golf van opwinding gaat door de groep. Dit is waar ze voor gekomen zijn. Dit is waarom ze de  uitdaging aan willen gaan. Het geroezemoes verstomt wanneer Ben zijn hand op steekt. “ En nu nog wat mededelingen van huishoudelijke aard. Er wordt op drie momenten per dag gezamenlijk gegeten. De keuken en koelkast zijn vrij te gebruiken tussen de maaltijden door tot elf uur ’s avonds. Het staat jullie vrij je in het hele klooster en de bijbehorende tuin te bewegen. Er zijn echter twee uitzonderingen. De buitendeur van de keuken mag niet worden gebruikt en het personeelshuisje aan de rand van de kloostertuin is strikt verboden terrein. Jullie worden nu naar jullie cel geleid, waar de eerste opdracht op jullie wacht.”

De weken die volgen voelt Maartje zich alsof ze in de hemel is beland. Het was even wennen aan de strikte structuur en discipline, maar vanaf het moment dat ze haar draai hierin heeft gevonden, voelt ze zich als een vis in het water. De opdrachten zijn zeer divers en daardoor een grote uitdaging. Aan inspiratie heeft ze geen gebrek en tijd om te schrijven heeft ze ook in overvloed. Meestal heeft ze haar verhaal dan ook ruim voor de deadline klaar en het scoort altijd hoog.
Als ze op een dag tijdens het eliminatiemoment naar voren wordt geroepen, schrikt ze dan ook erg. Ze had toch geen slecht verhaal ingeleverd? Voor zover zij dat zelf kon beoordelen, had het dezelfde kwaliteit als veel van haar eerdere verhalen. En als vervolgens Ben en de rest van de jury beginnen te applaudisseren snapt ze er helemaal niets meer van. Dan dringt het langzaam tot haar door, haar dertien weken zitten er op. Ze is de enige deelnemer die over is van de oorspronkelijke groep en de eerste  die het heeft gehaald. Ze mag naar huis met een contract op zak!

Het weer thuis zijn voelt vreemd. Er is zoveel afleiding. Niet alleen telefoon, internet en sociale verplichtingen zetten haar schrijfritme onder de druk, ook de dagelijkse beslommeringen vragen meer tijd dan ze er eigenlijk aan wil schenken. Al na een paar dagen verlangt Maartje hartstochtelijk terug naar het leven binnen ‘Het Writersblock’. Ze probeert er over te praten met haar vrienden en familie maar die lijken niet te snappen wat ze voelt. Allemaal zeggen ze dat ze gewoon nog even moet wennen aan het gewone leven. Dat het even tijd nodig heeft om weer te wennen, maar Maartje weet dat ze niet meer wil wennen aan het dagelijkse leven. Ze wil terug. Ze wil de rest van haar leven wijden aan het schrijven en geen tijd meer verdoen aan andere zaken.
Ze gaat op zoek naar andere oud-deelnemers. Misschien dat deze zullen snappen wat ze voelt. Misschien voelen ze wel hetzelfde. Misschien hebben zij een manier gevonden om een invulling te geven aan hun roeping.
Haar zoektocht loopt uit op een teleurstelling. Ze kan geen verhaal, blog of twitteraccount  vinden van andere deelnemers. Hoewel ze zeker weet dat ze allemaal actief waren op het internet is er geen spoor van terug te vinden. Bijna alsof ze nooit hebben bestaan.
Maartje begint zich steeds onprettiger en eenzamer voelen. Ze besluit contact op te nemen met de enige waarvan ze denkt dat hij haar kan helpen. Ze belt Ben. En al meteen is ze blij dat ze dat heeft gedaan. Ben luistert naar haar, is begripvol en biedt aan uit te zoeken of hij haar kan helpen. Ze spreken af dat hij de volgende dag langs zal komen om de opties door te spreken.
Al meteen nadat ze heeft opgehangen voelt Maartje de rust waar ze zo naar verlangde over zich komen. Alles gaat geregeld worden. Nog even en dan hoeft ze alleen nog maar te schrijven. Ze besluit de boel de boel te laten en lekker in de tuin in de hangmat te gaan liggen om volop te genieten van dit fantastische gevoel.
Maartje begint net lekker weg te soezen als plots Ben met een grote glimlach op zijn gezicht de tuin binnenstapt. Nog voor ze van haar verbazing is bekomen steekt hij een boek in de lucht en zegt:” Kijk eens wat ik heb.” Hij geeft haar het boek en kijkt haar verwachtingsvol aan. Ze bekijkt het boek aandachtig. De cover wordt gesierd door een foto van het klooster waar ze zo naar terug verlangt, met daarover heen in krullerige letters de titel die ‘verhalen uit het writersblock’ luidt. Snel draait ze het boek om om de achterflap te lezen. ‘een bundeling verhalen die zijn ontstaan uit opdrachten van het Writersblock. Een postuum eerbetoon aan Maartje’
Maartje laat het boek zakken. Postuum? Ze is toch niet dood?


Voorzichtig pakt Ben het boek uit Maartjes slappe handen. Zijn glimlach verbreedt. Wat was het een goed idee geweest om via het contract alle auteursrechten aan hem over te dragen. Ook deze dode schrijver  gaat hem veel geld opbrengen.